Waterhoen

Het waterhoen, een vogel met meerdere bijzonderheden

Het waterhoen [Gallinula chloropus] is heel sierlijk van bouw en ook opvallend van kleur en tekening. Maar het is gemakkelijker het waterhoen niet te zien dan het niet te horen. Zodra we de oever naderen, horen we al van ver of van dichtbij de heldere roep ‘kruuk’. Goed verborgen tussen de oeverplanten is het waterhoen maar te zien als het zich echt wil tonen en dat doet die schuwe vogel lang niet dikwijls. Hij is gemaakt om met zijn afgeplat lichaam, zijn zeer beweeglijke wervelkolom die het lichaam lenig maakt, te lopen tussen de dicht op elkaar groeiende lissen, rietstengels en struiken. Een waterhoen zal maar op het water verschijnen als alles goed en wel veilig is. Bij het minste gevaar zwemt of vliegt de vogel terug naar de duisternis van de oeverbegroeiing.

Rode bles. Wie rustig langs het water blijft krijgt toch de kans te kijken naar de rode bles op het voorhoofd. Dit sieraad is groter en dikker bij de man dan bij het wijfje. De witte zijdestreep, net als de witte onderstaart duidt op het feit dat de vogel meestal verblijft in de donkerte en hij zijn soortgenoten herkent aan de witte tekening op de zwarte ondergrond. Bij het zwemmen, evenals bij het lopen, in samenhang met het bewegen van de poten, wipt de korte staart op en neer en flikkert het wit van de onderstaart. Deze watervogel is zowat drieëndertig centimeter groot. Specifiek zijn verder de rode ogen en de typische gele snavelpunt. Waterhoentjes hebben lange, groene loopbenen met zeer lange tenen om op de waterplanten te kunnen lopen. Let ook op de rode band op het bovenbeen. Het waterhoen loopt eigenlijk liever dan het zwemt. Vooral op de brede bladeren van de witte waterlelie kan het mooi lopen. Het jonge waterhoentje ligt er soms op te zonnen. Het waterhoen neemt dikwijls een bad en verblijft veel in de zon. Zwemmend tussen het eendenkroos, die fijne, ronddrijvende blaadjes laat het een goed zichtbaar spoor na.

Voedsel. Het waterhoen wordt tot de alleseters beschouwd. Bessen en vruchten, moeras- en waterplanten, grassen en zaden, insecten en schelpdieren, gewassen, kleine vissen … het gaat er allemaal in. Sommige literatuur ziet in het waterhoen ook een opruimer van kadavers. Dode vissen en andere dode dieren zouden door de vogel worden aangepikt en gegeten.

Paarvorming. Bijzonder bij deze vogel is wel dat de hen de man uitzoekt en niet omgekeerd. En het gebeurt dat er onder de hennen regelrechte gevechten gebeuren om een man. Naar wordt aangenomen hebben de grootste en best getekende mannen bij de wijfjes een streepje voor. Waarschijnlijk wordt gedacht dat dergelijke mannen beter kunnen imponeren bij het verdedigen van het latere nest. De hen zwemt hierbij naar de man toe en tracht door haar houding, het schijnpikken, de aandacht van de man te trekken. Bevalt het wijfje de man dan reageert hij net als de pop door ook naar haar te pikken. Daarna volgen korte jachten waarna de paarvorming als een feit kan worden beschouwd.

Nestbouw. Reeds eind februari wordt door de man het broedterritorium afgebakend en de eigenlijke nestplaats uitgekozen. Apart is wel dat voor het echte nest opgetrokken wordt er zogenoemde ‘baltsplatformen’ gebouwd worden. Later zal de man, wanneer de hen broedt, één van die platformen als slaapplaats gebruiken. Aan het eigenlijke nest wordt pas één week voor het eerste ei wordt gelegd begonnen. Man en pop bouwen de broedplaats met dit verschil dat de man vooral instaat voor het fundament terwijl de pop zich ontfermt over de aankleding. Wanneer het eerste ei gelegd wordt is het nest zelden volledig af. Tijdens de eileg worden nog altijd plantenvezels, het hoofdbestanddeel van het nest, aangevoerd. En eigenlijk duurt dit gedurende de ganse broedtijd voort. De nestplaats zelf wordt opgetrokken in de dichte vegetatie van de oever waarbij vaak gebruik wordt gemaakt van in water liggende boomwortels als verankeringplaats.

Eileg. Het begin van de broedtijd situeert zich half april. En ook al bijzonder aan het waterhoen is dat de hen haar eieren legt bij valavond, daar waar de meeste andere vogels dit in de ochtend doen. De eieren hebben een geelbruinachtige kleur met zwartpaarse vlekken. Een voltallig legsel bestaat uit vijf tot twaalf eieren. De beide seksen bebroeden de eieren maar het is vooral de man die hierbij het leeuwenaandeel voor zich neemt. Hij broedt niet alleen overdag maar neemt ook de volledige nacht voor zijn rekening. De broedtijd situeert zich tussen negentien en eenentwintig dagen. Twee dagen voor de eieren echt kippen kunnen in de eischaal reeds kleine scheurtjes waargenomen worden. Studies hebben aangetoond dat wanneer voor het eerst de eitand door de schelp kan gezien worden het nog tussen twee en acht uur kan duren voor het kuiken ook daadwerkelijk uit het ei breekt.

Jongen. Zoals u weet zijn ook de jongen van het waterhoen nestvlieders, hoewel dit in de strikte betekenis van het woord niet volledig juist is omdat ze soms tot drie dagen in het broednest blijven voor ze het water opzoeken. Misschien ook daarom dat de man voor de jongen een slaapnest bouwt. Veel hoeven we ons hiervan niet voor te stellen, vaak wordt een oud baltsplatform hiervoor wat omgebouwd. Wanneer de jongen kippen hebben ze een zwarte donskleur en zwarte poten. Slechts bij de snavel, rond de kop en in de vleugels is er een beetje rood merkbaar. De opfok van de jongen gebeurt door de beide ouders. In de eerste dagen houden de ouders het voedsel nog voor maar heel snel weten ze zich zelfstandig te voeden. Vanaf de eerste levensdag kan het jonge waterhoentje zwemmen. Op de vijfde dag heeft het ook de kennis van het duiken onder de knie en rond zijn tiende levensdag weet het zelfstandig voedsel te vinden. Rond de derde levensweek verkleurt de kopkleur en een maand oud verliest het vogeltje de zwarte donsbevedering en beginnen de poten naar groen te verkleuren. Tussen de dertigste en de vijfenveertigste dag ontwikkelen zich de vleugel- en de staartveren. Rond de zestigste levensdag kunnen de jongen vogels vliegen. Er zijn twee tot drie nesten per jaar maar een derde nest bevat zelden meer dan tien eieren.

Vijanden. Het grote aantal eieren en jongen is bij het waterhoen nodig omdat de eieren en de jonge vogels makkelijke prooien zijn voor roofdieren waarbij niet alleen roofvogels als havik, uil en kiekendief moeten vermeld worden maar ook alle reigerachtigen die wel een eitje of een jeugdig waterhoentje lusten. Ook meeuwen weten raad met eieren en jongen. Zelfs een grote snoek lust, naar verluidt, wel een pas gekipt waterhoentje. Bij de zoogdieren loert het gevaar om de hoek wanneer een egel, een kat, een hermelijn of een marter het nest passeert. Vroeger werd bovendien het waterhoen intens bejaagd, al is het vlees nog zo taai.

 
Digiprove sealThis content has been Digiproved © 2020 Danny Roels

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *