Vogels uit Australië: blauwwang honingeter

De blauwwang er is één van de grootste en meest opvallende honingeters die in Australië voorkomen. Bovendien gaat het om en vrijpostige soort die allesbehalve schuw kan genoemd worden. Hij kent een groot verspreidingsgebied dat begint in de Kimberley, over The Northern Territory loopt en verder naar de staten Queensland en New-South-Wales. Ik heb deze vogel gedurende mijn Australische tijd meerdere keren kunnen observeren en er telkens van genoten.

Groen-zwart-blauw-wit. De vogel heeft dankzij zijn groene bevedering, zijn opvallend blauwe wangkleur, zijn zwarte kop en borstkleur en de witte flank- en buikkleur een meer dan opvallend voorkomen. Hierbij moet wel gesteld worden dat de blauwe wangkleur niet ontstaat door een blauwe bevedering maar door een naakte blauwe vlek. Let ook op de witte vlek in de nek. En nog, eigen aan honingeters, is de lange scherpe licht gebogen zwarte snavel en de vrij krachtige poten. En bij die snavel valt het op dat de neusgaten zich niet aan de snavelbasis bevinden, zoals bij de meeste andere vogels, maar zich hier halverwege de snavel situeren. De grootte is ruim dertig centimeter en de lichaamsbouw is vrij rond. Man en pop zijn gelijk gekleurd en getekend.

Drie. Bij de blauwwang vogel worden nu drie ondersoorten weerhouden. Het betreft de A. c cyanotis, de nominaatvorm die leeft in de staten Queensland en New-South-Wales, de A. c. griseigularis die leeft op Nieuw-Guinea maar ook voorkomt in het uiterste punt van Queensland en ten slotte om de A. c. albipennis die leeft in het Kimberleygebied en in The Northern Territory. De verschillen tussen de ondersoorten zijn niet echt groot waar wel duidelijk. Ten opzichte van de nominaat heeft de griseigularis een kleiner voorkomen (26 cm) en toont de albipennis een witte ondervleugelbevedering. De bijgaande foto’s werden genomen in de Kimberley en in de The Northern Territory zodat het zeker gaat om de ondersoort albipennis.

Open landschappen. Het is een vogel die leeft en voorkomt in meerdere biotopen. Ons komt het voor dat hij een grote voorkeur heeft voor open landschappen met verspreide bomen maar ook in parken en tuinen kan het een vrij algemene vogel genoemd worden. Verder leeft hij in regenwouden en wordt er een zekere voorkeur genoteerd voor de pandanusboom die vooral in The Northern Territory voorkomt. Een alternatieve naam daar voor deze honingeter is dan ook de pandanusvogel. De pandanusbomen zijn verder belangrijk voor de Aboriginals die van de bladeren onder meer manden en andere nutsvoorwerpen maken.

Lawaaierig. Opvallend is dat de blauwwang honingeter een lawaaierigere vogel is. Zijn geroep is van ver te horen nog voor hij wordt gezien. Het meest wordt hij opgemerkt in kleine groepen, ook bij het foerageren. Soortgenoten worden dan geduld maar beslist geen andere vogels. De blauwwang heeft geen schrik van de mens. Bij de picknick werden we benaderd tot op luttele meters waarbij wordt geschooid om vooral stukjes brood en kaas.

Alleseter. Uit de naam valt eenvoudig vast te stellen dat het moet gaan om een honingetende vogel en dat is ook zo. Maar we hebben zelf kunnen vaststellen, en hiervoor werd het ook al even aangestipt, dat deze honingeter echt alles eet wat er kan gegeten worden. Insecten, brood, kaas, vruchten, nectar, zaden … echt alles wordt genuttigd.

Juni tot januari. De natuurlijke Australische kweektijd loopt van juni tot januari. Het nest is een vrij losse bedoening, komvormig van uitzicht en opgebouwd met kleine stokjes, hooi, bladeren en bast. Er wordt onder meer graag genesteld in de al geciteerde pandanusbomen maar ook worden oude nesten van andere vogels wel eens een weinig hersteld en gebruikt. Er worden van twee tot drie eieren gelegd die een zacht rozige kleur bezitten en verder roodbruine stippen. Slechts de pop bebroedt de eieren, de broedtijd is zeventien dagen. Voor de opfok van de jongen staan beide ouders in. De jongen blauwwang wordt naakt en blind geboren en bezit een spaarzame bruine dons. Drie weken na de geboorte wordt het nest verlaten. Opvallend is dat de juveniele vogel het nest verlaat met een groene wangkleur. Het duurt tot twee jaar voor het blauw volledig aanwezig is. Er zijn één of twee nesten per seizoen. Weet dat deze honingeter wordt geparasiteerd door meerdere koekoeksoorten en dat de kookaburra de grootste

Zelden gezien. Of deze vogel ooit in particuliere handen is geweest is ons niet duidelijk. Wel staat het vast dat hij ooit in meerdere dierentuinen (o.a. de Zoo van Antwerpen) aanwezig is geweest. Gezien zijn voedingsregime en zijn vertrouwelijk aard lijkt het ons een om een makkelijk te houden soort te gaan.

 
Digiprove sealThis content has been Digiproved © 2021 Danny Roels

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *