Sint-Helenafazantje

Niet écht kleurrijk en toch heel aantrekkelijk is naar ons aanvoelen een goede omschrijving voor het Sint-Helenafazantje (Estrilda astrild) dat in avicultuur op heel wat sympathie kan rekenen. De aantrekkingskracht zit hem voor een groot stuk in de dwarse streeptekening die over het geheel van de grijsbruine bevedering te zien is waarbij komt dat het rood van snavel, teugel en buik hierbij sterk tot uiting komt. De ogen kleuren zwart, de poten grijsbruin.

Herkomst. Het Sint-Helenafazantje, 10 cm groot, is een Afrikaanse prachtvink met een zeer groot verspreidingsgebied. In ornithologische werken worden liefst 15 ondersoorten beschreven wat meteen duidelijk maakt dat dit vogeltje heel verbreid in Afrika leeft. Het aanpassingsvermogen van dit vogeltje lijkt dusdanig groot te zijn dat het ook, én met succes, werd ingevoerd in ander landen waaronder het Europese Portugal. Voor de geïnteresseerden onder ons, ook in Puerto Rico, in delen van Brazilië en Trinidad (Zuid-Amerika) komt het in de wildbaan voor en verder in onder andere Tahiti en Taiwan (bron: HBW Alive). Maar waar er geleefd wordt, de voeding blijft gelijk. Het Sint-Helenafazantje eet in hoofdzaak allerhande graszaden en kleine insecten. Zaden worden rechtstreeks uit de aar geplukt maar ook op de grond gezocht. In de natuurlijke habitat worden vaak, foeragerende vogels, in grote tot grotere benden gesignaleerd. Sociaal is het dus ook. In de natuurlijke habitat wordt de Sint-Helenafazant geparasiteerd door de dominicanerwida (Vidua macroura).

Dimorfisme. Beide geslachten lijken sprekend op elkaar. Als steeds bij dit soort vogels wordt beweerd dat de man een meer intensieve en/of diepere kleur bezit dan het wijfje maar de astrildenkwekers onder ons zullen het beamen, dat is lang geen zekerheid! Ook de buikkleur is niet meteen een doorslaggevend bewijs van dimorfisme omdat die buikkleur van ondersoort tot ondersoort heel sterk in kleurdiepte en grootte kan verschillen. De ondersoort Estrilda astrild adesma zou zelfs geen buikvlek bezitten!

Look alike. Verwarring, zeker bij niet astrildenkwekers, kan er zijn met het ook al zeer gekende napoleonnetje (Estrilda troglodytes) dat met het sint-helenafazantje onder meer de rode snavelkleur, het zwarte oog, de grijsbruine poten, de grootte, de rode buikkleur en het gedrag gemeen heeft. Verschillend is dat het napoleonnetje de streeptekening mist en een donker wit afgeboorde staart bezit. Ook kan er verwarring zijn met de teugelastrilde (Estrilda rhodopyga) maar die vogel is dan weer, onder meer, veel bruiner. Op die twee vogeltjes komen we later nog terug.

Verzorging. Net als bij andere kleinere zaadetende astrilden is de voeding amper of niet moeilijk te noemen. Exotenmengeling en zuiver water vormen de hoeksteen van de verzorging. En net als bij alle andere kleine zaadeters kunnen makkelijke extraatjes gevonden worden via graszaden, groen- en eivoer, gekiemde zaden, kleine dierlijke eiwitten, trosgierst … Het betreft een tolerante soort die met vergelijkbare vogeltjes doorgaans in een goede verstandhouding leeft. Nadeel is wel dat het een vogeltje is dat voor winter, voor- en najaar in een droge en licht verwarmbare omgeving moet ondergebracht worden. Badwater is écht nodig, dit vogeltje baadt minstens eenmaal per dag wat vooral de bevedering en de elegantie ten goede komt.

Nest. Gezien het enorme verspreidingsgebied hangt de natuurlijke broedtijd af van waar de ondersoort voorkomt. In avicultuur hoeven we daar niet echt rekening mee te houden. Wel is het zo dat het Sint-Helenafazantje, zowel in natuur als in avicultuur, voor de bouw van een rond nest kiest met een zijdelingse ingang. Soms wordt het voorzien van een zogenaamd hanennest. Zeker is dat er in de natuur gekozen wordt voor een laaggelegen nestplaats daar waar in avicultuur ook wordt gebruik gemaakt van een nestkast. Maar waar er ook gebouwd wordt, het vogeltje kiest voor fijne grassen (hooi en kokosvezel in avicultuur) en voor de binnenzijdse afwerking voor zacht nestmateriaal (veertjes, mossen, wol …). De balts van de man gebeurt op een identieke wijze als we die reeds in voorgaande teksten voor andere astrilden hebben beschreven. Met een lange grasspriet baltst hij voor de pop waarbij hij vrijwel alle veertjes van zijn frêle lichaam opzet. De man zingt hierbij niet onaardig. Een broedse pop antwoordt op de avances van de man op een vrijwel identieke wijze maar dan zonder zang.

Eieren & jongen. Het legsel bestaat uit vier tot zes witgekleurde eieren. Beide seksen broeden en voeden de jongen op. De broedtijd bedraagt 12 dagen. Voor de opfok van de jongen zijn kleine dierlijke eiwitten echt nodig, het is een zekere vereiste om ze groot te krijgen. De nesttijd loopt over een periode van drie weken waarna het nest door de jongen verlaten wordt. De nafok door beide ouders duurt twee weken. Een nestverlatende Sint-Helenafazant is een doffere versie van de ouders met een zwarte snavelkleur. De karakteristieke teugel is wel aanwezig maar dan wel in een afgezwakte vorm.

 
Digiprove sealThis content has been Digiproved © 2022 Danny Roels

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *