Prachtvinken in vogelvlucht. deel 1.

Danny Roels.

Prachtvinken zijn kleine, vrij kleurrijke vogels die verspreid over de wereld in een zeer groot gebied voorkomen. Vooral Afrika is rijkelijk voorzien van meerdere soorten, het gigantisch grote Australië kent er ook een behoorlijk aantal, Azië is dan weer minder bedeeld maar in Nieuw-Zeeland, Amerika en Europa komen prachtvinken ‘van nature uit’ niet voor. Dat ‘van nature’ uit plaatsen we erbij omdat op zijn minst één van hen, het sint-helenafazantje [Estrilda astrild], in Portugal in een behoorlijk aantal exemplaren in de wildbaan voorkomt. Maar ook, en niet onbelangrijk, op sommige exotische eilanden, al dan niet toebehorend tot Afrika, Australië en Azië komen ze voor.

Deel 1.

Inhoud.

  1. Prachtvinken, wat zijn dat ?
  2. Andere eigenheden.
  3. Kooi en volière.

1. Prachtvinken, wat zijn dat ?

Astrilden & amadinen. Robiller schrijft dat het totale aantal prachtvinken zich rond 125 soorten situeert. De roepnaam ‘prachtvink’ is een verzamelnaam waar specifiek twee vogelgroepen mee worden bedoeld, en wel astrilden en amadinen. Het verschil tussen die twee groepen wordt in veel literatuur ook beschreven als ‘fijnsnavelige’ en ‘diksnavelige’ prachtvinken. Met de eerste groep, de ‘fijnsnavelige’, worden dan astrilden bedoeld, de naam ‘diksnavelige’ slaat op amadinen. En, toegeven, die omschrijving dekt niet altijd de lading. De blauwsnavelastrilde [Spermophaga poliogenys] bijvoorbeeld heeft een vrij zware dikke snavel en toch wordt de vogel tot de astrilden gerekend. De ceres [Aidmosyna modesta] wordt tot de amadinen gerekend maar in teksten en boekwerken wordt ook van ceresastrilde gesproken. Zijn er dan geen andere criteria om ze van elkaar te onderscheiden. Zeker wel, maar daar komen we later nog op terug.

2. Andere eigenheden

Biotoop. Het spreekt voor zich dat de verschillende soorten prachtvinken in hun natuurlijke biotopen eigen accenten hebben gelegd. Afrikaanse astrilden komen vooral voor in en rond steppegebieden maar schuwen geenszins de mens en zijn cultuur. Maar hier kunnen we slechts over een algemeen beeld spreken omdat er toch wel uitzonderingen te noteren vallen. Nigrita’s [geslacht Nigrita] bijvoorbeeld zijn typische, en samen met de verschillende soorten mierenpikkers [geslacht Parmoptila] de enige onder de astrilden, die uitsluitend als bosbewoners vermeld staan.

Voedsel. Prachtvinken zijn voor het overgrote deel zaadeters maar eens er jongen zijn schakelen praktisch alle soorten over op kleine dierlijke eiwitten die, zeker tijdens de eerste dagen broodnodig zijn voor de opfok van de jongen. En toch, de al geciteerde Nigrita’s eten geen zaden maar zijn uitgesproken, om niet te zeggen, uitsluitend insectenetende astrilden. Termieten, mieren en andere kleine insecten staan samen met hun larven bij dit soort vogels, met het oog op het opvoeden van de jongen hoog aangeschreven.

Geluid. Echte zangers zijn prachtvinken niet hoewel ze wel tot de zangvogels worden geteld omdat ze een zangmusculatuur ontwikkeld hebben. Geen enkele prachtvink heeft een luide zang hoewel sommige wel fraaie, zachte geluiden in meerdere toonaarden kunnen uiten.

Balts. Aansluitend op het voorgaande moet er gesteld worden dat de zang het meest wordt gebruikt bij het baltsritueel. De verschillende soorten prachtvinken baltsen op hun eigen karakteristieke wijze waarbij, al dan niet met een halm in de snavel, op en neer voor de pop wordt gedanst. Vaak worden hierbij ook de veren en de staart opgericht.

Nest. De meeste soorten bouwen een bolrond nest, soms voorzien van het zogenaamde ‘hanennest’. Dit is een nest dat boven het eigenlijke nest wordt gebouwd en waarin de man zijn tijd doorbrengt wanneer de pop aan het broeden is.

Eieren. Alle prachtvinken, zonder uitzondering, leggen witgekleurde eieren. De broedtijd bij dit soort vogels varieert tussen twaalf en veertien dagen. De meeste soorten beginnen te broeden na het leggen van het voorlaatste ei. De jongen blijven tussen achttien en eenentwintig dagen in het nest. De meeste jonge prachtvinken keren na het uitvliegen nog terug naar het nest. Na de nestverlating duurt de nazorg van de ouders nog twee weken.

Snavel- & verhemelte- & tongtekeningen. Vrijwel alle prachtvinken hebben, soorteigen snavel en verhemelte- en tongtekeningen. De enige uitzondering zou wat dit betreft, volgens Robiller, de dufresne astrilde [Estrilda melanotis] zijn. Die tekeningen zijn niet onbelangrijk omdat ze de ouders helpen bij het identificeren van de jongen, ze er de kroost door vinden in het vrij donkere nest, maar ook omdat de wetenschap er verbanden mee legt en via die tekeningen kan bepalen wie tot welk geslacht hoort. Bij de prachtvinken staan beide geslachten in voor de opfok van de jonge vogels.

3. Kooi en volière

Eenvoudig. De meeste prachtvinken zijn uitstekend geschikt als kooi en volièrevogel. Sommige soorten als zebravink [Taeniopygia guttata], gouldamadine [Chloebia gouldiae] en zilverbek [Lonchura cantans] zijn zeer eenvoudig in het onderhoud, sterk en kweekgraag bovendien. Deze vogels vormen, samen met nog enkele andere soorten, de zogenaamde cultuurexoten. Ze komen ook voor in meerdere mutaties en mutatiecombinaties. De zebravink is eigenlijk al een compleet andere vogel geworden dan de vogel die tientallen jaren terug voor het laatst werd ingevoerd.

Iets moeilijker. Andere soorten lijken iets gevoeliger te zijn maar mits wat ervaring best doenbaar. We denken hierbij aan de Senegal vuurvink [Lagonosticta senegala] dat destijds massaal werd ingevoerd en na een gunstige acclimatisatie een vrij sterk en broedlustig vogeltje blijkt te zijn. Andere mooie en sterke prachtvinken zijn onder meer de verschillende soorten papegaaiamadinen die, en dat geldt zeker voor de driekleuren [Erythrura trichroa] en de roodkop [Erythrura psittacea], best kweekbaar zijn.

Nog iets moeilijker. Zonder echt van moeilijk in onderhoud en voeding te kunnen spreken zijn er ook een zeker aantal soorten die niet zo eenvoudig te kweken zijn. Een typisch voorbeeld hiervan is het allerwegen gekende napoleonnetje [Estrilda troglodytes] dat tot één van de meest sterke kleine astrilden kan gerekend worden maar waarmee slechts met moeite kweekresultaten worden van genoteerd. De vogels uit het geslacht Pytilia (aurora, melba, wiener, streepjes- en maskerastrilde) zijn dan misschien wel makkelijker tot kweken te verleiden maar hier gebeurt het vaak genoeg dat de jongen onmiddellijk, en dan zeker wanneer er in broedkooien wordt gekweekt, door de ouders uit het nest worden gekieperd.

Moeilijk. En het spreekt voor zich dat niet alle prachtvinken echt aangewezen zijn voor pakweg de beginnende liefhebber. Dit slaat zeker op de reeds geciteerde vogels uit het geslacht Nigrita. Het zijn niet alleen, zoals voorheen geschreven, bosbewoners maar ook wijken ze qua voeding toch heel sterk van de lijn van zaadeter af. Deze vogels voeden zich praktisch uitsluitend met dierlijke eiwitten, aan zaden hebben ze vast geen boodschap. Ook de zaadkrakers uit het geslacht Pyrenestes zijn niet bepaald makkelijke vogels.

Voeding. Omdat er praktisch geen invoer meer is kunnen we schrijven dat ruim 98% van de hier aanwezige prachtvinken in Europa zijn gekweekt. Dit heeft ontegensprekelijk het profijt dat de vogels gewoon zijn aan onze manier van voeden maar ook dat ze niet meer geacclimatiseerd hoeven te worden. Op een basis van exotenmengeling kunnen prachtvinken zonder meer lang gezond gehouden worden en dan zeker wanneer er toemaatjes verstrekt worden als groenvoer (graszaden), kleine dierlijke eiwitten (pinkies), gekiemde zaden, trosgierst (al dan niet gekiemd) en eivoer. Grit en sepia hebben ook bij dit soort vogels hun nut. Alle prachtvinken baden graag, dagelijks vers badwater en uiteraard ook drinkwater is dus aangewezen.

Huisvesting. Prachtvinken zijn uitstekend geschikt om in kooi en volière te worden gehouden. Elke liefhebber van dit soort vogels hoort echter te weten dat geen enkele prachtvink echt opgewassen is tegen ons winters vochtig zeeklimaat. Vocht en kilte is bij dit soort vogels uit den boze. Ze zorgen enkel voor kommer en kwel. Prachtvinken kunnen slechts van begin mei tot hooguit eind september in een buitenvlucht gehouden worden. De andere maanden is een matig verwarmd maar vooral tochtvrij en droog verblijf aangewezen.

Kweek. Het spreekt voor zich dat prachtvinken, maar dat geldt uiteraard ook voor alle andere vogels, slechts zullen kweken wanneer de omstandigheden zich daar optimaal voor lenen. Overduidelijk moet zijn dat er slechts met kerngezonde vogels kan gestart worden. En die vogels zijn makkelijk te herkennen aan onder meer hun levendigheid, het gezang van de man, het veelvuldig baden, de gesloten bevedering, de interesse voor het andere geslacht enz. Vogels die dik zitten, een gezwollen onderlichaam tonen of niet glad in de bevedering zitten kunnen niet in de kweek worden ingebracht om de simpele reden dat die toch niet zullen kweken. Kortom, observatie van onze prachtvinken kan ons veel bijleren. Op vandaag worden tal van prachtvinken met goed gevolg gekweekt in ruimere broedkooien en in kleinere volières waar ze specifiek per koppel worden in ondergebracht. Het nestkastje, vaak van het kubusvormige type, wordt aan de buitenkant van de kooi aangebracht om nestcontrole te vergemakkelijken. Met uitzondering van enkele Australische prachtvinken (zebravink, spitstaart, gordelgrasvink …) hebben verder praktisch alle andere prachtvinken insecten nodig voor de opfok van de jongen. Wie begin mei zijn prachtvinken onderbrengt in een ruime en beplante volière zal met plezier kunnen zien hoe de prachtvinken, nog steeds hun natuurlijk instinct getrouw, soms grote vrijstaande nesten bouwen. En voor alle duidelijkheid: een dergelijke huisvesting biedt een veel grotere kans op een natuurlijke broedwijze. Vooral de Afrikaanse prachtvinken knoeien nog wel eens in de kweekkooi. (Wordt vervolgd).

Meerdere foto’s van prachtvinken vindt u in de fotogalerij onder prachtvinken.

 
Digiprove sealThis content has been Digiproved © 2020 Danny Roels

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *