Patrijs

We noemen de patrijs [Perdix perdix] vaak een onderschatte volièrevogel. Hij is in die zin interessant dat het een bodemvogel is die het nooit hogerop gaat zoeken. Op die manier worden geen andere vogels gestoord in hun bezigheden en/of slaap. Bovendien gaat het om een makkelijk te houden en te verzorgen hoenderachtige. Wel moet hij kunnen beschikken over een ruimere volière met een toch wel aangepaste biotoop. Nu het in de natuur minder goed met hem gaat willen we er graag even bij stilstaan.

Eigenheden. De patrijs die we zo nu en dan in de velden zien bereikt een grootte van om en bij dertig centimeter. Zijn wat sombere kleuren zijn een goede camouflage om in de natuurlijke habitat te overleven. Hij heeft een wat gedrongen voorkomen, afgeronde vleugels en een korte staart. Schreven we hiervoor dat hij ‘sombere’ kleuren heeft dan moet dit toch wat genuanceerd worden daar de patrijs toch wel een heel mooi gekleurde, en vooral sterk getekende vogel is. Bijgaande foto toont dit naar ons aanvoelen goed aan. Daar komt bij dat er tussen haan en hen een toch wel duidelijke geslachtsdimorfisme is. Zo bezit de haan een lichtbruin gekleurde kop waarbij opvalt dat er rond de ogen kleine rode wratjes staan. Op de borst zit een hoefijzervormige bruine vlek, die bij het haantje over het algemeen duidelijker is dan bij de hen. Verder bezit de hen dwarse strepen op de vleugeldekveren die bij de haan niet gezien worden.

Biotoop. De patrijs is hoegenaamd geen vogel die louter in ons land voorkomt. Hij bezit een groot verspreidingsgebied dat zich over grote delen van Europa uitstrekt. Hier houdt hij ervan om paarsgewijs door het leven te gaan. Een geschikte biotoop voor een monogaam paar bestaat uit open veld waar er niet alleen voedsel maar ook rust te vinden is. Het spreekt voor zich dat een ‘open’ veld in onze contreien lang niet zo ‘open’ is. De patrijs kan wel verdragen dat hagen en houtkanten aanwezig zijn. Ook een dijk wordt getolereerd. Akkerland en weiden genieten de voorkeur ook al omdat daar het nodige voedsel vrij makkelijk terug te vinden is. Voor de volière opteren we voor een grotere vlucht, die best zonrijk mag zijn. Om begrijpelijke redenen kan een betonnen vloer niet. We kiezen voor een zandbodem waar er naar hartenlust kan gezandbaad worden. Zoals u weet moeten alle hoenderachtigen dit kunnen doen.

Voedsel. Wie de kans krijgt om deze vogel in de natuurlijke habitat te observeren stelt vast dat het om een vrij schuwe soort gaat. Bij het minste gaat hij op de vlucht. Eerst zal hij zich nog laag tegen de grond drukken, hopend dat zijn schutkleur hem redt, maar indien dit niet zo is vliegt hij met een snorrend geluid op om enkele tientallen meters verder te landen. En ook dat vliegen is speciaal, niet alleen omdat het met krachtige vleugelslagen gepaard gaat maar ook omdat er vrij laag over de grond wordt gevlogen waarbij glijvluchten zijn ingeplant. De voeding van in het wild levende dieren bestaat grotendeels uit groenvoer. Vooral grassen, klaver, en wat wij onkruidzaden noemen als paardenbloem, zurkel en dovenetel wordt graag opgenomen. Maar toch worden ook insecten niet versmaad. Wist u dat jonge patrijzenkuikens bij de geboorte (grotendeels) insectivoor zijn. De reden ligt zo voor de hand. Ze moeten in geen tijd, in hooguit 14 weken, uitgroeien tot quasi volwassen vogels en dan zijn dierlijke eiwitten meer dan welkom. Wie de patrijs als volièrevogel houdt zorgt voor een korrelvoeding, verder voor gekapte granen die ook geschikt zijn voor tortelduiven. Nooit mag het de patrijs aan groenvoer ontbreken. Wat hij in de natuur zoekt kan makkelijk teruggevonden en aangereikt worden.

Voortplanting. Hoenderachtigen kunnen moeilijk tot de betere nestbouwers worden gerekend. Vaak genoeg bestaat het nest uit een weinig gestoffeerd kuiltje in de grond. Dit geldt ook voor de patrijs. Het nest wordt graag onder of dichtbij een graspol gemaakt. Maar voor er wordt genesteld (al is dat hier een groot woord) is er eerst nog het baltsspel dat hier toch, gezien de manier waarop, het vermelden waard is. Zo loopt de haan in een boog om de hen heen waarna beide vogels met de vleugels slaan. De haan vliegt dan op om even later weer voor de pop te landen waarna hij naar ze toeloopt. Een paringsbereide hen bukt zich, richt de staart lichtjes omhoog waarop de haan de hen treedt. De hen legt in het kuiltje van 12 tot 15 eieren. Zij alleen broedt die uit in een tijdspanne van 23 tot 24 dagen. Omdat het nestvlieders zijn start de broedtijd onmiddellijk na de leg van het laatste ei. Het betekent ook dat de kuikens, nadat ze zijn opgedroogd, al onmiddellijk kunnen rondlopen maar dit geschiedt letterlijk onder de vleugels van zowel hen als haan. De eerste vleugelveren verschijnen rond de vijfde levensdag. Op een leeftijd van twee tot drie weken kunnen de vogels al een beetje vliegen en na een goede maand is het jeugdkleed volgroeid. Rond de vierde levensmaand is de jeugdbevedering vervangen door het volwassenkleed.

Predatoren. De patrijs is een vogel die steeds op zijn hoede is. Deze soort heeft het dan ook niet onder de markt. Er zijn eirovers waar hij bang moet voor zijn (onder andere kraaiachtigen) maar ook vos en marterachtigen zijn geduchte natuurlijke vijanden. Ook de mens hoort in dit rijtje thuis maar of het woord ‘natuurlijk’ hierin thuis hoort is een andere vraag.

 

 
Digiprove sealThis content has been Digiproved © 2021 Danny Roels

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *