Europese goudvink

Wellicht is er geen andere Europese vogel die de gemoederen van de vogelliefhebber ooit meer beroerd heeft dan de prachtige goudvink [Pyrrhula pyrrhula]. De schoonheid van die vogel staat buiten kijf. En hoewel er een zeker aantal mutaties van bestaan, toch blijft voor een grote meerderheid onder de goudvinkkwekers de wildkleur de meest attractieve. Het is zelfs zo dat de pop, hoewel deels opvallend anders gekleurd dan de man, in schoonheid voor hem niet hoeft onder te doen.

Boomvogel. De goudvink is een uitgesproken boomvogel. Hij houdt van naald- en loofbossen. In het voorjaar is het een notoire fijnproever voor wat de ontluikende boomknoppen betreft. De goudvink eet ze met smaak wat hem, ooit onder meer bij de fruitboer, geen al te beste reputatie heeft bezorgd.

Voedsel. De natuurlijke voeding sluit nauw aan met wat voorafging. Naast boomknoppen leeft de goudvink in de natuurlijke habitat hoofdzakelijk van zaden en groenvoer. Onder andere zaden van es- en meidoorn worden graag genuttigd maar ook die van paardenbloem, kruiskruid, melkdistel enzovoort worden wat graag gegeten. Voor het grootbrengen van de jongen wordt er ook naar insecten en spinnen gezocht. Als in nazomer en najaar bessen rijp zijn (aardbei, vlierbes, braambes …) dan worden ook die met smaak opgenomen.

Kweek. De natuurlijke broedtijd loopt van eind april tot begin juli. Er wordt een komvormig, maar toch plat nest gebouwd met natuurlijke vegetatie. De pop legt van vier tot zes blauwgekleurde eieren die matig of zelfs niet bespikkeld zijn. Zij broedt de eieren uit in een tijdspanne van dertien dagen. Zijn er jongen dan wordt ook de man een actieve ouder die samen met de pop de jongen grootbrengt. De nesttijd is zestien dagen. Twee, hooguit drie weken na het uitvliegen zijn de jongen zelfstandig. In de natuur zijn er doorgaans twee ronden, in avicultuur zijn drie nesten per seizoen niet uitzonderlijk.

Graag gezien. Mede zijn schoonheid maar ook door het feit dat de goudvink een makkelijk te kweken vogel is heeft hem bijzonder populair gemaakt. Het is zelfs zo dat in ons land er echte goudvinkenkwekerijen bestaan. Liefhebbers houden alleen (of in hoofdzaak) de goudvink en daar is het ontstaan van toch wel vrij knappe mutaties niet vreemd aan.

Verzorging. Hoeft het nog gezegd dat er in de handel gespecialiseerde voeding voor de goudvink bestaat? De meeste goudvinkenliefhebbers voeden dan ook hun beestjes met die ‘uitgebalanceerde’ mengeling. En terecht! Bijvoeding kan bestaan uit tal van (onbespoten) groenvoer en eivoer. Zijn er jongen dan zijn dierlijke eiwitten noodzakelijk. Pinkie en buffaloworm, om het alleen bij die twee te houden, zijn hierbij populair.

Kweek. Gebeurt op vandaag al lang niet meer alleen in beplante volières maar ook in ruimere kweekkooien. Kiest de vogel in de natuur voor boom of struik om het nest te bouwen dan is hier het zogenaamde kapelletje een toch wel bijzonder nuttig hulpmiddel. Houden we ons bij de wildkleur dan zien we dat de jonge goudvink een vleeskleurige huid bezit met een donkergekleurde dons.

Bij de foto’s.

Wildkleur. Weet dat de noordse goudvink de nominaatvorm is en dat de kleine goudvink die onder andere in België en Nederland leeft tot de ondersoort P.p. europea wordt gerekend. De foto’s bewijzen de schoonheid van én man én pop ten volle. Alles wat bij de man rood kleurt, kleurt bij de pop blauwgrijs.

Bruin. Bij de bruine goudvink wordt de zwarte kleur van schedel en vleugels chocoladebruin terwijl het rood (man) onveranderd blijft. Het verschil met de wildkleurige vogel is bij de bruine pop duidelijker dan bij de man, de wildkleurige pop bezit geen rood, vandaar. Bruin vererft tegenover de wildkleur recessief geslachtsgebonden.

Pastel. Ook pastel vererft, net als bruin, tegenover de wildkleurige goudvink recessief geslachtsgebonden. Wat bij pastelvogels wel meer voorkomt is dat de kleur door de pastelfactor van matig tot sterk kan opgebleekt worden. Mooi meegenomen is wel dat de pastelfactor bij iedere andere kleurslag kan ingekweekt worden.

Bruinpastel. En dat laatste wordt bevestigd door de bijgevoegde foto’s van zowel een bruinpastel man als een bruinpastel pop. Naar mijn persoonlijk oordeel is vooral de man een plaatje. De man blijkt een contrastrijke vogel te zijn daar waar de pop duidelijk meer egaal gekleurd is.

Wit. Mag ik kritisch zijn? Smaken kunnen en mogen verschillen maar naar mijn persoonlijk aanvoelen gaat het niet om een mooie vogel. Wie die witte goudvink vergelijkt met de wildkleurige vogel vraagt zich af waarom we die witte vogels toch kweken? De witte man is overigens niet volledig wit omdat het rode carotenoïde niet wordt aangetast. Dat de kleur oranje kleurt heeft die witte man te danken aan zijn witte donsbedevering. En nog, zelfs de pop is niet 100% ‘wit’ daar bij haar de twee vleugelvlekken op de laatste armpennen licht oranjeroze kleuren.

Geel. Een kleurslag die zich bij de goudvink heel snel populair heeft gemaakt is wel de gele. Visueel gesproken vinden heel wat liefhebbers die mutant vrij mooi hoewel dit enkel voor de man van toepassing is omdat de gele pop slechts van de wildkleurige vogel te onderscheiden valt door de twee kleine gele veertjes op de vleugel. Die kleuren bij de wildvorm rood, bij de gele goudvink geel. Geel vererft tegenover de wildvorm autosomaal recessief.

Bruinpastel geel. Een mutatiecombinatie die zich, omwille van zijn schoonheid bijzonder populair heeft gemaakt is de bruinpastel gele goudvink. Visueel gesproken gaat het om een van de meest mooie en meest geslaagde combinaties die ik ken. Ook hier moet het gezegd dat de bruinpastel gele pop van de ‘gewone’ bruinpastel pop slechts kan onderscheiden worden door de kleine gele veertjes op de vleugel.

 
Digiprove sealThis content has been Digiproved © 2020 Danny Roels

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *