De zebravink [Taeniopygia guttata], al lang geen vogel meer voor de beginneling alleen!

Danny Roels.

Een opvallend feit is dat een niet vogelliefhebber zonder enig probleem de juiste naam kent wanneer naar de naam gevraagd wordt van de zebravink [Taeniopygia guttata]. Deze vogel is bij de leek beter gekend dan de doorsnee huismus [Passer domesticus] die, helaas, op veel plaatsen echt verdwenen lijkt. De pejoratieve benaming van vroeger die de zebravink letterlijk als een kermisvogeltje beschreef, zit daar veel voor tussen. Op heden worden echter kleurzebravinken gekweekt die be- en verwondering verdienen van iedereen. De zebravink is al sedert lange tijd een volwassen standaardvogel geworden.

Inhoud

  1. Vooraf
  2. Standaard
  3. Huisvesting
  4. Kweekruimte
  5. De dagdagelijkse verzorging
  6. Kweek
  7. De ontwikkeling van de jongen.
  8. Storingen tijdens de kweek.
  9. Selectie van jonge zebravinken
  10. Fysieke selectie via de standaardeisen

1. Vooraf

Australië. De zebravink vindt zijn herkomst in Australië en maakt derhalve deel uit van wat men noemt ‘de Australische prachtvinken’. Naar wordt verteld leeft die vogel daar zowat overal, uitgezonderd voor de woestijngebieden zou hij passen. Het spreekt voor zich dat de zebravink dus in meerdere biotopen wordt aangetroffen. Net als bij de meeste andere Australische prachtvinken is de kweektijd daar zeer sterk afhankelijk van de regenval. En terzijde, wie de hier sedert meer dan zestig jaar gedomesticeerde zebravink aan de kweek wil krijgen moet de vogel gewoon veel badwater offreren, de zebravink weet dit nog steeds instinctief te appreciëren en komt er vanzelf van in broedconditie. In de wildbaan is de zebravink weinig kieskeurig voor wat het nestmateriaal en de nestplaats betreft. Het nest kan er zowat overal aangetroffen worden, eigenlijk best vergelijkbaar met de reeds geciteerde huismus, want ook hij bouwt het nest in zowat alles wat hiervoor nuttig kan zijn. De zebravink houdt zich in zijn vaderland altijd weer dicht bij een waterbron op hoewel de vogel relatief lang zonder water kan. Ook dit feit is deze stoere Australiër in zijn domesticatieproces nog niet verleerd want in contrast tot (bijna) alle andere prachtvinken kan een zebravink dagen zonder drinken (hoewel dit niet echt aan te raden is). Voeden doet hij zich in zijn thuisland met zaden die bijna altijd op de grond worden genuttigd. Meerdere observaties hebben aangetoond dat er ook tijdens de kweektijd kleine insecten worden gelust. En, hoewel de zebravink dus een lange tijd zonder water kan, hij kan niet één dag zonder voedsel. Als gesteld wordt de Australische broedtijd sterk beïnvloed door water. Wanneer het gaat regenen bouwt de zebravink het nest en begint de broedtijd ook omdat de vogel instinctief weet dat kort na de regenbuien de wilde zaden gaan bloeien en makkelijk voedsel vormen voor de jongen. Van de sociale zebravink worden de bolronde nesten, vooral opgetrokken uit grassen, er vaak dicht bij elkaar aangetroffen in struikjes, boomholten en verder overal waar ook maar een nestje in past. De vier tot zes witte eieren worden door de beide geslachten in dertien dagen uitgebroed en beide vogels zorgen ervoor dat de jongen na drie weken volledig bevederd de broedkamer kunnen verlaten. De nazorg geschiedt nog gedurende twee weken. Dit ganse broedproces is bij onze gecultiveerde zebravink nog steeds identiek aan hoe de zebravink het in de wildbaan doet.

Kleur & tekeningen. De tint van de zebravink, zoals hij in zijn Australisch leefgebied wordt beschreven, is op de bovenzijde overwegend grijs met veel bruin op rug en vleugels. De buik is crèmekleurig en de aarsstreek zelfs diep crèmekleurig. De kenners onder ons zullen onmiddellijk opmerken dat precies die bruine rug- en vleugelkleur en die crèmekleurige buik- en onderbuikkleur nu net de grootste kleurfouten zijn die bij de gecultiveerde grijze zebravink bestaan. Terecht. ‘Onze’ grijze zebravink is een compleet andere vogel geworden dan de oorspronkelijke grijze en dat geldt ook voor het postuur, de grootte en de vorm want de zebravink uit de ‘bush’ is lang niet zo geblokt, heeft niet die mooie ronde kop met de korte kegelvormige snavel en moet ook inbinden voor wat de mooie vorm betreft. De zebravink uit de wildbaan toont een duidelijk dimorfisme. En dat is vanzelfsprekend niet veranderd bij het domesticatieproces. Behalve bij de witte, en soms ook bij de getekende vogels kan er nu en dan een lichte onzekerheid zijn maar dan alleen maar bij vogels die uit kweekconditie zijn. Bij onze gepigmenteerde zebravinken is die twijfel onbestaande. De mannelijke vogel is gewoon heerlijk gekleurd en getekend. Denken we hierbij maar aan de prachtige zwarte borstband en die zwart-witte borsttekeningen en ook aan de diep gekleurde oranjebruine wangvlekken en de kastanjebruine flanken met witte stippen bij de man. Althans, zo was het eerst. Thans bestaan er ook zebravinken met een oranjekleurige borst, en zelfs met zwarte wangen en nog andere, als zwartborst, tonen die prachtige tekeningen in een volledige andere structuur en dan zijn er nog die dit alles in de meest positieve zin weten te combineren.

Geluid. De zebravink hoort thuis bij de zangvogels maar is niet echt een zanger in de strikte betekenis van het woord. Slechts de mannelijke zebravink heeft een kort, vrij eentonig lied maar het voordeel is dat het nooit gaat vervelen. Dit lied wordt vaak gehoord maar het liefst draagt onze mannelijke zebravink het voor een pop voor met het oog op een paring. Het is een beetje een haantjesgedrag want de achterliggende gedachte bij hem is om uiteraard een paring af te dwingen. Weet dat de zebravink, en dat geldt ook voor de meeste andere kolonievogels, het met de huwelijkstrouw niet te nauw neemt. Beide seksen beschikken verder over een monotone, korte contactroep die haast voortdurend wordt geslaakt.

2. Standaard

Europa. Menig vogelliefhebber in Europa heeft ooit zijn eerste kweekervaringen opgedaan met de zebravink. De zonder meer best gekende en nu nog steeds meest gehouden Australische prachtvink vormde voor velen de leerschool, maar ook de stap naar andere soorten. En toch, van in den beginne, hebben anderen zich weloverwogen vastgezet op deze ene vogel en specialiseerden er zich in. Jarenlange selectie door de pioniers van destijds hebben het fijne en ranke vogeltje omgebouwd tot een geblokte vogel met een rond kopje, een brede borst en een kort kegelvormig snaveltje. Wie op vandaag succesvol met zebravinken wil exposeren zal onder meer oog moeten hebben voor het model. Met te kleine, te slanke en te tengere vogels komen we niet ver meer.

Tekeningen. En ook werd er aanzienlijk geselecteerd op de tekeningen. Bij het opmaken van de eerste standaardeisen werd er geopperd dat het ideaal zou zijn dat de borstband bij de klassieke vogels (van zwartborst en oranjeborst was toen nog geen of nauwelijks sprake) van schouder tot schouder zou lopen. Thans wordt dit zowat overal als normaal bestempeld maar wie zich de vogels nog weet te herinneren uit de vroege jaren zeventig zal beamen dat er een zeer lange weg is afgelegd. En eigenlijk geldt dit ook voor wat de flanktekening betreft. Er werd weloverwogen geselecteerd op netheid en zuiverheid van de witte stippen in de flanktekeningen. Detail? Neen het heeft er de zebravink vast mooier op gemaakt. En in feite geldt ook hetzelfde voor de wangvlek. Een netjes afgelijnde wangvlek met een diep oranjekleurig tintje is toch wat anders dan een flets kleurtje. En de popjes? Geen borst- en flanktekeningen dat is waar, maar een gerichte kweek, ten goede naar een nette en volle traanstreep werd simpelweg gerealiseerd. De staartblokken, voor man én pop, en dit uiteraard bij de klassieke vogels moeten netjes zwart-wit geblokt zijn met het laatste blokje, dat tot aan het staartuiteinde reiken moet, wit.

Kleur. Thans bestaan er nogal wat kleurtjes bij de zebravink. Dankzij mutaties (bruin, bleekrug, masker, wit, witborst, zwartborst, oranjeborst, zwartwang, wang, masker, eumo, ino, agaat, isabel, gezoomd, geelsnavel, bleeksnavel, bont, pastel, black-face bleekwang, kuif …) die op hun beurt netjes met elkaar kunnen gecombineerd worden zijn er legio kansen om mutatiecombinaties te kweken. En het spreekt voor zich dat die mogelijkheid door de zebravinkenliefhebber werd benut

3. Huisvesting

 Sterk maar niet winterhard. De zebravink is een vrij sterke soort die echt wel tegen een stootje kan, maar is zeker niet winterhard. En wat geldt voor alle prachtvinken moeten we ook voor de zebravink schrijven: een kille en vochtige verblijfplaats moet voor dit soort vogels immer vermeden worden.

Volière. De zebravink is lang, en als we rekening houden met het feit dat het vogeltje al voor 1850 in Europa gekend was, ruim honderd jaar louter een volièrevogel geweest. Pas bij de echte specialisatie, we schrijven nu eind jaren zestig en begin jaren zeventig van de vorige eeuw, werd de zebravink voor het eerst in kweekkooien gekweekt. In volières worden door de band zeer goede kweekresultaten bekomen ook al omdat de zebravink met meerdere paren in één vlucht, en dit zonder noemenswaardige problemen kan gehouden worden. Dit heeft uiteraard te maken met het feit dat deze vogel zich ook in zijn natuurlijke habitat sociaal gedraagt en er in kolonieverband kweekt. En ook op vandaag zijn er nog altijd gemeenschapsvolières waar de zebravink ieder jaar weer voor tientallen nakomelingen zorgt. Liefhebbers die op die manier vogels kweken zijn doorgaans geen tentoonstellers, maar weten zich gelukkig om op die manier vogels te kunnen houden. Overigens, ook voor wie zich specialiseert op één kleurslag kan de volière zijn nut bewijzen. Zo kennen we een liefhebber die ieder jaar weer schittert op de shows met witte zebravinken. Hij kweekt die witte vogels in een vluchtje met drie koppels samen.

Kweekkooi. Bij het begin van het domesticatieproces zag ook de zebravinkliefhebber het nut, én de noodzaak, in om de zebravink in kweekkooien te gaan fokken. Met het oog op de precieze afkomst, maar ook om bepaalde goede eigenschappen in stamverband vast te leggen, was dit echt essentieel. Bezoeken aan diverse kwekers en verkopers leert dat er legio modellen aan kweekkooien bestaan en dit in alle mogelijke materialen. In het begin was er niet meer dan de houten kweekkooi maar gespecialiseerde bedrijven bieden op dit moment de meest prachtige, zelfs op maat gemaakte modellen aan in allerhande (kunststof)materialen. Maar geen nood, of we nu de zebravink in een houten of in de meest moderne kweekkooi houden en kweken maakt niet uit. Belangrijker is dat die kweekkooi functioneel opgebouwd is en, met het oog op de nazaten, toch niet te klein is. Een kweekkooi van 40 x 40 x 40 cm (lxbxh) lijkt voor twee zebravinken groot genoeg maar laten we toch niet vergeten dat zulke kooi nog moet ‘aangekleed’ worden met een nestkastje, een eet- en drinkbakje, een spoelbakje, een bakje voor het eivoer, en natuurlijk zijn er ook nog de zitstokken en aldus wordt een kooi van dat formaat al snel te klein. Als daar later nog drie of vier jonge zebraatjes bijkomen dan is ook de noodzakelijke hygiëne ver te zoeken. Een ruimere kweekkooi van bvb. 60 x 50 x 50 (lxbxh) lijkt ons daarom beter.

4. Kweekruimte

Verlichting. Net zoals er legio modellen aan broedkooien bestaan zijn er ook, afhankelijk van de plaats die bij iedere liefhebber anders is, uitgebreide kansen waar de zebravink kan gefokt worden. Deze Australiër is amper veeleisend te noemen en een gunstige eigenschap blijft dat de zebravink zich aan ieder verblijf weet aan te passen en doorgaans vlot tot voortplanten overgaat. Maar dit betekent uiteraard niet dat er aan de kweekruimte geen aandacht moet geschonken worden. Of we nu vogels kweken in de meest schitterende accommodatie, in een tuinhuis, op zolder of in de kelder altijd weer komen vier belangrijke eigenheden om de hoek kijken waarmee we bedoelen dat de kweekruimte degelijk moet kunnen verlicht, verwarmd en verlucht worden maar ook dat de vochtigheidsgraad zijn rol speelt. Laten we daarom nog eens terugkeren naar het verre vaderland van de zebravink. De vogel gaat in Australië vlot tot kweken over wanneer er voldoende regenwater valt. Maar misschien is het ook praktisch om de lichttijd die in Australië heerst te bekijken. In ‘De Vogelwereld’ van juli 1990 werd een artikel gepubliceerd van de hand van veearts Gerard Gelly die ons netjes diets maakte dat de verlichtingstijd in Australië gesitueerd wordt tussen 11 uur en 42 minuten (in de vijfentwintigste week van het jaar) en 14 uur en 7 minuten (in de één- en tweeënvijftigste week van het jaar). Of met andere woorden het verschil tussen de donkerste en de klaarste dag van het jaar bedraagt precies 2 uur en 25 minuten. Hieruit kunnen we dus makkelijk afleiden dat 14 uur licht per dag, tijdens de kweekperiode voor de zebravink, als ruim voldoende moet beschouwd worden en dat een lichttijd van ongeveer twaalf uur tijdens de rusttijd nuttig is. Via een schakelklok, met dimmer, kunnen we op een simpele wijze de natuurlijke Australische tijdsduur nabootsen. Op vandaag worden hiervoor vooral TL-armaturen gebruikt. Maar opgelet, die armaturen zijn in verscheiden verbruik sterktes en kleuren te koop. Gestreefd moet worden naar een zo’n helderwit licht en daarvoor komen, naar verluidt, de lampen 33 en 84 het meest in aanmerking.

Verwarming & ventilatie. Verwarming en ventilatie zijn twee belangrijke elementen bij de huisvesting van de zebravink. Vooraf, en als gesteld, is deze vogel geen doetje. Hij kan gerust wel wat koude verduren maar tegen vriestemperaturen is ook deze prachtvink niet opgewassen. Laten we ook hier nogmaals terugkeren naar Australië. Rekening houdend met het feit dat de zebravink in zijn natuurlijk milieu alleen maar de woestijngebieden mijdt kunnen we er van uitgaan dat de vogel in een groot deel van het immens grote Australië terug te vinden is. Zoals u wellicht weet ligt Australië vrij dicht bij de evenaar en precies daarom is het er ook warm. In het noorden ligt de temperatuur tijdens de lokale winter nog steeds boven de twintig graden en slechts in sommige delen in het zuiden van Australië is er kans op vorst of sneeuw. Dit alles wijst erop dat ook de zebravink van nature uit een vogel is uit een warm milieu. In de meeste literatuur wordt een richttemperatuur van plusminus 15 graden Celsius voor deze vogel geschetst. En bij die temperatuur valt er met de gedomesticeerde zebravink best te kweken. Verwarmde plaatsen waar vogels worden gehouden hebben soms de kwalijke eigenschap dat het er muf gaat ruiken. Dit is én voor de vogels én voor de liefhebber zeer onpraktisch en ongezond. We moeten dus ventileren, wat in de strikte betekenis van het woord betekent dat de lucht stelselmatig moet vervangen worden. Het ventileren van een kweekruimte kan op meerdere manieren gebeuren. Een venster dat kan geopend worden waarin een horrenraam kan geplaatst worden is een vrij eenvoudige maar zeer doeltreffende methode. Een andere optie is een luchtstroom in de kweekruimte te creëren waardoor er constant verse lucht aangevoerd wordt. En ook zijn talrijke kweekkamers voorzien van een ventilator. Maar hoe we ook verluchten, steeds moet ervoor gezorgd worden dat er geen tocht ontstaat.

Luchtvochtigheid. Misschien is het nuttig om te bepalen wat er precies met luchtvochtigheid bedoeld wordt en waarom dit zo van belang is. Luchtvochtigheid is in wezen niets anders dan de bestaande hoeveelheid vocht die er in de lucht aanwezig is en dit wordt altijd in percentages uitgedrukt. Er wordt in de fysica een verschil gemaakt tussen de absolute vochtigheid (afgekort als LV) en de relatieve vochtigheid (afgekort als RV). Wanneer de temperatuur daalt neemt het vermogen van de lucht om waterdamp te bevatten af, maar bij diezelfde hoeveelheid waterdamp neemt de relatieve luchtvochtigheid toe. Wordt ze groter dan 100% dan treedt er condensatie op. De betekenis van de relatieve luchtvochtigheid in de kweekruimte heeft vooral zijn nut bij het kippen van de eieren. Een te lage of een te hoge luchtvochtigheid kan het embryo laten afsterven. Er wordt van uit gegaan dat voor een kweekruimte een ideale luchtvochtigheid moet liggen tussen 70 en  80%. In het al geciteerde werk van dokter Gelly staan ook de gemiddelde vochtigheidsgraden die in Australië voorkomen beschreven. Hieruit leren we dat de laagste gemiddelde waarde 34,4% is (september en oktober) en de hoogste gemiddelde waarde 56,1% is (februari).

5. Dagdagelijkse verzorging

 Voedsel. Sedert mensenheugenis wordt beweerd dat de zebravink een van de meest makkelijk te verzorgen vogels is. Wij willen dit niet tegenspreken maar wel nuanceren. Zeker is dat de vogel praktisch kan gehouden worden op een mix voor tropische vogels en water. Maar beter kan altijd. De zebravink voedt zich in zijn natuurlijke biotoop met zaden die de vogel vooral van de grond weet op te nemen. In de wildbaan blijkt het een niet zo handige knaap te zijn die de zaden perfect, hangend of zittend, uit de zaaddoosjes kan halen zoals bijvoorbeeld kleine astrilden dat wel kunnen. De snavel van de Australische zebravink is niet zo kegelvorm als bij de gedomesticeerde soort maar toch gaat het heel specifiek om een zaadeter. Naar wordt beweerd verkiest de zebravink ook in de wildbaan de diverse grassoorten maar weet er ook op tijd en stond weleens een insect te waarderen. In avifauna volstaat doorgaans een exotenmengeling van goede kwaliteit en ook hier weet de zebravink onder meer een pinkie wel op prijs te stellen. Op vandaag worden door sommige firma’s zelfs gespecialiseerde mengelingen voor de zebravink op de markt gebracht. De best gekende en in Europa meest gekweekte Australische prachtvink zal, zijn aangeboren voedingspatroon getrouw, de ook hier aanwezige graszaden maar ook ander groenvoer ten zeerste waarderen. Maar, zeker is dat het aangeboden groenvoer tijdens de kweektijd niet altijd te lang in de kweekkooi kan achtergelaten worden om de eenvoudige reden dat de zebravink dit vaak naar het nest brengt en er de eieren en/of de kleine jongen kan mee bedekken. Ook groenten waaronder kool, andijvie en witlof wordt gelust. En zelfs fruit, met appel op kop, wordt graag opgenomen. Verder wordt, en dan zeker wanneer er jongen zijn een toevoeging van eivoer, zelfgemaakt of commercieel, door de vogel erg gewaardeerd. Dol is deze vogel overigens op trosgierst, en altijd weer hebben we de indruk dat de rode variant door de zebravink liever wordt gegeten dan de gele. En natuurlijk is er ook nog gekiemd zaad. Voor velen een zegen, voor anderen een vloek. Feit is dat de zebravink zeer graag gekiemde zaden opneemt en dat meerdere liefhebbers dit gebruiken om het droge commerciële eivoer rul te maken. Een makkelijk voedbare vogel is de zebravink dus wel maar daarnaast springt hij onzorgvuldig om met de aangeboden zaden. Het is nooit een aanrader om deze vogel een te grote hoeveelheid zaad aan te bieden, de helft en soms meer gaat hierdoor vaak verloren.

Water. Het belang van zuiver drinkwater wordt in praktisch ieder vogelboek, en zeer terecht, als de meest normale zaak ter wereld voorgesteld. En dat zou ook zo moeten zijn. Helaas, wie weleens aanklopt bij sommige kwekers kan zo zien dat dit lang niet altijd zo is. Fonteinen met groene aanslag horen niet in een kweekruimte van vogels thuis. En zeker wanneer er jongen zijn en eivoer wordt verstrekt is het vervangen van het drinkwater een dagelijkse plicht. Wie het niet gelooft moet maar eens aan dit ‘drink’water ruiken. De stank is om te snijden. Vogels, en de zebravink maakt daar echt geen uitzondering voor, droppen, en dan zeker tijdens de kweektijd, voedsel, nestmateriaal en ook uitwerpselen in de drinkfontein. U begrijpt dat er dan nog moeilijk van ‘zuiver’ drinkwater kan gesproken worden. Vuil drinkwater is vaak oorzaak van ziekten. Per week zou ook iedere drinkfontein minstens één keer moeten uitgewassen worden. Een druppeltje javel kan in verband met de zuiverheid wonderen doen. En zeg zelf, ook voor de liefhebber is het toch veel aangenamer om zijn vogels naar de beste omstandigheden te verzorgen. En ook geldt dit uiteraard voor het badwater. De zebravink baadt zich graag en veel, maar nooit in troebel water. En weet ook dat drinkwater nooit gelijk kan staan aan badwater. Heeft de zebravink zich gewassen, verwijder het badwater! En nog, de zebravink nipt op dezelfde manier van het water zoals de duifachtigen dit ook weten te doen.

Andere. Naast voedsel en water zijn er nog enkele, maar onontbeerlijke, bijkomende elementen bij de dagdagelijkse verzorging van de zebravink. Onder meer het verstrekken van grit, maagkiezel sepia enz. is hier nuttig. Vooral grit heeft zijn baat bij het fijnmalen van zaden in de maag maar voorziet ook aan de kalkbehoefte van de vogels en het voorkomt onder meer legnood bij de pop. Verder zijn er in de handel diverse producten, meestal voorgesteld als bijkomende vitaminen, te verkrijgen die zonder enige uitzondering, al dan niet terecht, als wondermiddelen worden voorgesteld. Enkele jaren terug werd ook de pelletvoeding voor de zebravink sterk gepromoot maar op vandaag voelen nog slechts weinig kwekers zich door die voeding aangesproken.

6. Kweek

Kweekrijp. Het spreekt voor zich dat er ook met de zebravink slechts kan gekweekt worden wanneer de vogel broedrijp is. Naar wordt beweerd zou de zebravink in de wildbaan al op zeer jonge leeftijd vruchtbaar zijn. Een mannelijk exemplaar zou op de ouderdom van 60 dagen (!) al in staat zijn om een pop te bevruchten wanneer die ook, ten minste, 60 dagen oud (!) zou zijn. Dit lijkt onvoorstelbaar maar wordt door diverse Australische literatuur bevestigd. De reden waarom moet hier gezocht worden in het feit dat de zebravink in de wildbaan slechts heel beperkt leeft. Daarom ook dat er altijd nesten met veel jongen worden vastgesteld. We kunnen dit gerust aanzien als een overlevingsstrategie. Maar is er nog iets, de zebravink is een van de weinige vogels, die voor wat de kweek betreft, niet afhankelijk is van de lichtduur maar wel van het al dan niet aanwezig zijn van water. Dit is zo in de natuur en ook zo in de kweekkooi. Wanneer in Australië de hemelsluizen open gaan weet de zebravink instinctmatig dat er moet genesteld worden omdat het vogeltje, pienter als het is, weet dat twee tot drie weken later hierdoor de gewassen in bloei zullen staan en er dus ruimschoots voedsel zal voorradig zijn om de jonge vogels groot te brengen. We denken echter niet dat er hier iemand het in zijn hoofd zal halen om met zebravinken van twee maand oud te gaan fokken. Onze gedomesticeerde vogels zijn op die leeftijd amper aan de jeugdrui begonnen. Een goede leeftijd om met de zebravink voor het eerst te gaan kweken is tien maand tot een jaar. Op die ouderdom zijn de vogels uitgegroeid en bezitten ze voldoende maturiteit om aan de fok te beginnen. Maar overduidelijk moet zijn dat de koppels ook kweekrijp moeten zijn. Als gesteld, is het geven van badwater een voortreffelijke aansporing om de vogels in broedstemming te brengen. De zebravink die zich dagelijks kan spoelen komt vanzelf in kweekconditie en dat is er ook goed aan te zien. De vogels zitten dan strak in de veren, ze vliegen mogelijks al met veertjes rond, de mannen zingen onophoudend en sommige poppen, die de zingende mannen kunnen horen, zullen al de paarhouding aannemen en de staart trillend bewegen. Soms worden er door de poppen ook al eieren op de grond gedeponeerd. En ook, de vogels pronken met een, naargelang, knalrode of diepgele snavelkleur.

In de kweekkooi, kweekvolière. Voor een paar zebravinken in de kweekkooi of de -volière wordt geplaatst is het evident dat die plaats ook af is. Hierbij wordt bedoeld dat de zitstokken, het eet- en drinkbakje, het bakje met grit, het bakje voor het eivoer, de nestkast en het nestmateriaal in kooi of volière aanwezig moeten zijn. En het spreekt voor zich dat ook hier de hygiëne voorop staat. Alles moet netjes uitgewassen en ontsmet zijn. Op de bodem is een dikke laag schelpenzand of andere bodembedekker aangebracht. Een stel kweekrijpe zebravinken zal na het samenplaatsen elkaar begroeten en vaak volgt er, en bij broedrijpe vogels zeker, direct een paring. De broedrijpe man zal hierbij onmiddellijk gaan zingen waarbij hij onder andere de borstveertjes en de flanken opzet. Op die manier lijkt de vogel groter dan hij is. In de ornithologische wereld wordt dit fenomeen, dat ook bij legio andere vogels bekend is, baltsen genoemd. En andermaal gaan we terug naar het verre Australië want daar gaat de balts, naar verluidt, gepaard met alle mogelijke verplichtingen waarvoor de gedomesticeerde soort geen tijd meer schijnt te hebben. In de kweekkooi of -volière zal de pop, die voor het eerst in de kweek wordt ingezet, de man instinctmatig herkennen aan zijn bevedering maar ook aan zijn zang.

Nest. In de handel zijn diverse goede nestmaterialen te koop. Kokosvezel, sisal, gedroogde mossen zijn er maar enkele van. En het spreekt voor zich dat ook ‘Moeder Natuur’ ons letterlijk alles geeft wat de zebravink nodig heeft om een comfortabel nest te bouwen. Er zijn kleine wortelvezeltjes, hooi, mossen, gedroogde onkruidzaden (hanenpoot, vogelmuur …) waarmee de zebravink raad weet. Binnenin wordt het nestje afgewerkt met onder meer veertjes. Binnen een paar dagen bouwen man en pop samen een knus, overkoepelend nest in het kastje en een kleine week na het samenplaatsen kan het eerste ei verwacht worden. De pop legt per dag één ei en per nest kunnen er van vier tot zes en soms nog meer eieren zijn. Het bebroeden van de eieren begint doorgaans na het leggen van het derde ei. Man en pop nemen aan het broedproces deel en vaak doen ze dit gewoon samen. Tijdens de broedtijd blijft het praktisch om dagelijks badwater te verstrekken. De zebravink weet aldus de luchtvochtigheid intuïtief op peil te houden. Na twaalf tot dertien dagen broeden worden de eerste jonge vogeltjes geboren. Alle zebravinken tonen bij de geboorte een weinig dons, bezitten een vleeskleurige huid weliswaar met, naargelang de kleurslag meerdere nuances. Sprekend en eigen is de verhemelte- en tongtekening. Op het verhemelte van een jonge grijze zebravink zien we drie zwarte punten op een gele ondergrond waarbij de middelste punt overduidelijk het grootst is. Onder die drie punten krijgen we een klein, halfgebogen vlekje. Op de binnenzijde van de ondersnavel is er eveneens een donker halfgebogen vlekje. De tong wordt gesierd met twee zwarte lijntjes. De mondhoeken zijn blauwachtig. Slechts de snavelpunten tonen zwart. Alle jonge zebravinken tonen deze specifieke tekeningen, maar net als bij de huidskleur, kunnen die tekeningen naargelang de mutant zekere kleurverschillen tonen. De juveniele vogels worden door man en pop gevoed met de al vroeger beschreven voeding. En voor alle duidelijkheid, dierlijke eiwitten zijn niet nodig voor een succesvolle kweek. De jonge zebravink is een snelle groeier die na ongeveer drie weken volledig bevederd het nest verlaat. Soms is er dan op de kop nog een weinig dons te zien. Het staartje is nog vrij kort (± één cm). Interessant om zien is hoe de jonge vogeltjes, met de kop naar beneden gekeerd, luidkeels om voedsel bedelen. Na het uitvliegen, de jongen zullen weliswaar nog vaak naar het nest terugkeren, zorgen de ouders nog gedurende veertien dagen en soms nog wat langer voor de jongen. Na die tijd zijn ze in staat om op eigen pootjes te staan en is het koppel doorgaans met de volgende ronde in een nieuwe of grondig gereinigde nestkast begonnen want nesthygiëne bij de mooie zebravink ontbreekt totaal. De uitwerpselen worden gewoon tegen de nestrand gedeponeerd.

7. De ontwikkeling van de jongen

1 tot 11 dagen. Bij de geboorte tonen jonge zebravinken, als gesteld, een donkere tot vleeskleurige huid met een weinig dons. Door de band kippen, indien bevrucht, de drie eerste eieren gelijktijdig en liggen de juveniele vogels kriskras door elkaar. De ouders voeden de kroost uit de krop en bij knap azende vogels is die krop bij jonge zebravinken in veel gevallen altijd goed gevuld. Wie goed toekijkt ziet ook dat de snavelkleur steeds donkerder wordt. De jonge zebravink zal uiteindelijk, we gaan steeds uit van een wildkleurige vogel, het nest met een volledige zwarte bek verlaten. Rond de achtste levensdag openen de ogen zich. Aanvankelijk is dit niet meer dan een klein spleetje maar in de volgende dagen zullen ze volledig open zijn. Dit is ook het moment dat de jongen geordend in het nest liggen met de kop naar de nestopening gericht. De eerste handveertjes zijn rond de zevende dag te zien. De aanzet tot staartveertjes zet zich in rond de tiende levensdag. Na de geboorte is het karaktervolle en schreiende bedelgeluid nauwelijks of niet hoorbaar maar vanaf de tiende dag wordt het steeds luider. Geringd worden de jonge zebra’s rond de zevende levensdag. Soms moet dit, bij grote en al sterk ontwikkelde jongen, zelfs vroeger gebeuren.

12 tot 21 dagen. De jonge vogels ontwikkelen zich nu heel snel en dagdagelijks zien we de bevedering toenemen. Het bedelgeluid wordt steeds meer hoorbaar en het gebeurt dat rond de zestiende, zeventiende dag de jonge vogels bij een verstoring uit de nestkast vliegen. Dit is duidelijk te vroeg en de jongen zoeken de geborgenheid op van de kooibodem. De eerste minuten is het vaak tevergeefs om ze terug in het nest te plaatsen. Geen nood, later kan dat wel. Na drie weken in het nest vertoeft te hebben zijn de jonge zebravinken wel sterk genoeg om het nest blijvend te verlaten.

22 tot 120 dagen. We zien de jongen zich nu extreem snel ontwikkelen. Zullen ze de eerste dagen nog de rust van het nest opzoeken en om voedsel bedelen dan zien we nu toch wel sterke veranderingen. Doorgaans worden de vogels nu iets slanker en groeien de staartpennen heel snel. Ook de soms nog aanwezige dons verdwijnt definitief. Rond de dertigste levensdag zien we de eerste schuchtere pogingen om zelf te leren eten. Maar let wel, het is slechts een moeite, meer niet. Echt zelfstandig eten kunnen de jongen na het voleindigen van de zevende levensweek en dan zien we ook dat de zwarte snavel naar rood (of geel) gaat verkleuren. Dit is nu ook het begin van de jeugdrui waarbij bij de jonge man de eerste streepjes van de borsttekening verschijnen en er zich een oranjekleurig tintje in wangen en flanken manifesteert. Bij de jonge pop blijven deze tinten uiteraard afwezig maar ook bij haar vallen de verschillen in borst- en flankkleur toch wel sterk op. De jonge man probeert nu ook voor het eerst te zingen, wat aanvankelijk slechts enkele valse noten oplevert. Deze fase in het nog prille leven van de juveniele zebravink wordt door een steeds groter wordende groep liefhebbers gebruikt om jonge vogels aan een eerste selectie te onderwerpen. Vogels die pakweg zondigen tegen type, of een slechte bevedering bezitten of gewoon niet goed genoeg zijn worden nu al uitgerangeerd. De jonge mannen en de jonge popen worden nu ook apart gehuisvest. Op een leeftijd van goed vier maand zijn de jonge zebravinken volledig op kleur en zijn ze in niets meer van de ouders te onderscheiden.

8. Storingen tijdens de kweek

Storingen. In de hiervoor geschreven tekst werd de zebravink voorgesteld als een makkelijk te kweken vogel, wat hij ook is, maar met tegenvallers allerlei werd geen rekening gehouden. En toch, het kan ook soms fout lopen. Het gebeurt dat een koppel elkaar niet als partner aanvaard, de eieren kunnen onbevrucht zijn, de vogels kunnen gestoord worden door luis en muis, één of de beide partners is/zijn nog niet broedrijp … kortom ook hier zijn er legio elementen die een kweek kunnen verstoren.

Luis & muis. Het spreekt voor zich dat de voorbereiding op de kweek een cruciale rol zal spelen bij het al of niet slagen ervan. Muis en luis kunnen uitgesloten worden door een puike hygiëne. Het is aandoenlijk om bij sommige liefhebbers op bezoek te gaan en te moeten vaststellen dat ze zichzelf niet eens bewust zijn van het feit dat sommige nesten gewoon rood zien van de luis. Nochtans zijn er in de handel genoeg alternatieven te vinden om op zijn minst preventief (dus voor de kweek) de luis proberen uit te sluiten. Tussen luis en muis is maar één letter verschil maar beiden zijn totaal ongewenst bij onze vogels. Muizen zijn knagers, zitten echt overal aan, bevuilen met hun uitwerpselen alles en nog wat, doen zich te goed aan de zaden die voorbestemd zijn voor onze vogels en dan is er nog de penetrante geur. Kortom, luis en muis horen in het vogelhuis niet thuis. Wie op een regelmatige basis, zeg maar wekelijks, zijn kweekhok kuist, drink- en eetbakjes en zitstokken reinigt en ontsmet, zijn kooien op luis controleert (verschuilen zich in spleten, onderaan de zitstokken …) zal voor een groot stuk die ongemakken uitsluiten. Maar, wees gerust, zelfs in de meest hygiënische omgeving kunnen luis en muis op een bepaald moment aangetroffen worden. Er is echt niemand vrij van.

 Andere. Sommige andere ongemakken kunnen voorkomen worden door de vogels degelijk op de kweek voor te bereiden, hoewel er ook zijn waar niets tegen te beginnen valt. Legnood is een mooi voorbeeld van een last die niet hoeft. Wie zijn vogels, en dan zeker de poppen, een volledig jaar door grit en maagkiezel en/of sepia aanbiedt, en de kweek na maximaal drie ronden stopt zal zelden met het fenomeen legnood te maken krijgen. Wie in de kweekruimte zorgt voor een goede luchtventilatie en oog heeft voor de vochtigheidsgraad zal niet af te rekenen krijgen met embryo’s die in het ei afsterven. Hij of zij die bij het formeren van de kweekkoppels ziet dat een bepaalde zebravink een zeer fletse bekkleur heeft (= een teken van het niet in kweekconditie zijn) moet zo slim zijn die vogel niet in de kweek in te zetten. Een dergelijke vogel leidt alleen tot teleurstellingen. We zouden nog gemakkelijk meerdere te voorkomen ongemakken kunnen neerschrijven die eigenlijk eenvoudig kunnen voorkomen worden door observatie. Edoch, er zijn ook gebeurtenissen die een negatieve invloed hebben op de broedresultaten die we niet altijd in de hand hebben. Een vogel kan plots sterven met nestverstoring tot gevolg, een paar heeft alleen maar onbevruchte eieren (onvruchtbaarheid komt immers ook bij vogels voor), jonge vogels liggen met een volle krop dood in het nest, het gebeurt dat er bij jonge zebravinken, al van in het nest lichamelijke afwijkingen worden vastgesteld. En wie heeft er nog nooit in een nest een jonge vogel aangetroffen die wel leeft en ook gevoed wordt maar, en dit in tegenstelling tot zijn nestgenoten, niet groeit om ten slotte na een paar dagen toch dood aangetroffen te worden. Kortom, ook hier voorbeelden zat.

9. Selectie van jonge zebravinken

 Stam. Selectie is nodig om een goede stam zebravinken op te bouwen waarbij een weifelende schifting geen zoden aan de dijk zet. Bij het selecteren van onze juveniele vogels moeten we ook in het achterhoofd houden dat er niet enkel moet geselecteerd worden met het oog op de tentoonstelling maar ook voor de kweek. Lang niet alle kweekexemplaren zijn geschikte showvogels en lang niet alle tentoonstellingsvogels kunnen zomaar in de kweek worden ingezet. Splitvogels zijn soms heel belangrijk in de kweek maar precies die vogels zijn lang niet altijd showexemplaren. Een vogel die een nagel mist is volgens de letter van de standaard geen showexemplaar maar kan in de kweek van een onschatbare waarde zijn. U ziet maar. Ook het kweekboek kan ons hierbij helpen want ook op de erfelijke eigenschappen moet zeker geselecteerd worden.

Type & houding & gedrag. In punt 7 (de ontwikkeling van de jongen) hadden we het al over een eerste selectie onmiddellijk na het apart plaatsen. We gaan er nu van uit dat de jonge zebravinken vier tot vijf maand oud zijn, dus volledig op kleur maar nog niet ten volle ontwikkeld. Maar toch kunnen we nu al heel veel over onze jonge vogels vertellen. Vaak blijkt dat de vogels die een dagje eerder dan de rest geringd moesten worden zich ook tot de meest forsige exemplaren ontwikkeld te hebben. We hebben verder oog voor het model (geblokt, ronde kop met een korte kegelvormige snavel), de houding (rechtop in een hoek van 45°, geen afhangende staart of vleugels, geen nekinval …) en verder is het belangrijk dat alle lichaamsdelen in harmonie tot elkaar staan. Vogels met een te smalle of een doorzakkende borst of een te kleine en/of een te platte kop tonen nooit de vereiste harmonie en horen dus niet thuis in onze stam. Kweekpraktijk heeft ons geleerd dat het verder kweken met dergelijke zebravinken geen zoden aan de dijk zet, soms komen die aangehaalde fouten nog versterkt terug in de volgende generatie. De grootte van een zebravink is in de standaard bepaald op circa 10,5 cm. Grotere vogels, en die bestaan echt, tonen soms heel opvallende fouten tegen het type. Waar bijna nooit op geselecteerd wordt is op het gedrag van de vogels. We bedoelen hierbij dat de zebravink doorgaans een heel rustige vogel is maar dat er toch wel vogels zijn die hier een uitzondering op maken. Er zijn inderdaad zebravinken die zich in onze kweekkooien zeer schuchter kunnen gedragen en soms heel wild om zich heen vliegen. In de kweekkooi verlaten ze het nest voor de minste kleine storing waarbij soms eieren en/of kleine jongen op de kooibodem belanden. Ook in de tentoonstellingskooi stellen ze zich zeer gejaagd op waardoor ze, ondanks hun misschien gunstige kwaliteiten, ze eigenlijk niet te keuren zijn.

En nog. Het spreekt voor zich dat de kleur en de tekeningen een aparte rol spelen bij de selectie. Voor bijna alle mutaties en voor het merendeel van de mutatiecombinaties zijn expliciete standaardeisen voor kleur en tekeningen gemaakt. Ook bij de zebravink moet er rekening gehouden worden met de bevederingslengte, de termen ‘intensief’ en ‘schimmel’ zijn zeker van toepassing waarbij ‘intensief’ staat voor een ‘korte’ bevedering en ‘schimmel’ voor een ‘lange’ bevedering. Een vogel met een korte bevedering zit door de band altijd strak en sluitend in de pluimen, de schimmelvogels zitten wat losser maar tonen daarom ook wat voller. Weet dat de bevederingslengte ook bij de beoordeling van de vogel in mindere of grotere mate zijn rol speelt. Een typisch voorbeeld is hierbij de witte zebravink. Een witte vogel met een vrij intensieve bevedering zal (bijna) altijd een doorzichtige wang- en schouderbevedering tonen, een witte met een langere bevedering (zoals een half schimmel) zal hier, steevast beter scoren. Of nog, bij de gepigmenteerde zebravink zal een intensieve vogel in de regel beter uit de verf komen omdat de kleur door de intensieffactor doorgaans versterkt wordt.

10. Fysieke selectie via de standaardeisen

Kweekboek. Na de kweektijd en de eerste selectie volgt er na de jeugdrui nog een tweede, vaak definitieve schifting. Of de zebravinken worden geselecteerd voor de tentoonstelling en/of de kweek, of ze worden uit de stam uitgerangeerd. Via het kweekboek weten we zwart op wit welke paren aan de verwachtingen hebben voldaan en welke niet. Wanneer een koppel, waarin we voor het kweekseizoen al onze hoop hadden gesteld, aan de verwachtingen heeft voldaan dan wordt dit paar uiteraard aangehouden. Maar bij een ander stel kan de teleurstelling groot zijn, die vogels worden vanzelfsprekend weg geselecteerd. Sommige liefhebbers geven die vogels, al dan niet met een andere partner, nog een kans maar veelal blijkt dit ijdele hoop te zijn. Ook zijn er kwekers die echt denken dat ze geen vogel kunnen missen al vallen de kweekresultaten en de jongen uit bepaalde paren erg tegen. Bovendien is het verkeerd om op voorhand te bepalen met hoeveel koppels er het volgende seizoen zal gekweekt worden. Dit is absoluut geen garantie dat de aldus resterende vogels van een goede kwaliteit zijn.

Algemene standaardeisen. Naast het kweekboek gebeurt een verdere selectie aan de hand van de fysieke standaardeisen. Zo:

  1. Forsgebouwd. De ideale zebravink is een forsgebouwde vogel van ongeveer 10,5 cm, gemeten tussen de snavelpunt en de punt van de staart.
  2. Geblokt. De ideale zebravink bezit een ‘geblokt’ type waarbij alle lichaamsverhoudingen in harmonie tot elkaar staan. Van opzij gezien moet de borstlijn vanaf de hals tot aan de inzet van de poten, regelmatig gebogen zijn. De rug moet van de kop tot aan de punt van de staart een bijna rechte lijn vormen. De borst is tamelijk zwaar en rond. Het achterlichaam mag niet uitgezakt zijn.
  3. Houding. De ideale zebravink moet rustig op stok zitten in een hoek van 45 graden. De vleugels moeten strak langs de romp worden gedragen en de vleugelpunten moeten sluiten op de stuit.
  4. Conditie. De ideale zebravink bezit een prima conditie. Een vogel die hieraan niet beantwoordt zal nooit een hoge score kunnen behalen.
  5. Bevedering. De ideale zebravink zal een volledige en gave bevedering bezitten.
  6. De ideale zebravink heeft een mooie ronde kop zonder afplattingen. De snavel hoort kort en kegelvormig te zijn waarbij de beide snavelhelften goed op elkaar aansluiten. Het oog staat centraal in de kop geplaatst.
  7. Poten. De ideale zebravink is in het bezit van twee stevige, en rechte poten zonder vergroeiingen. De tenen moeten degelijk om de stok klemmen. Een zebravink heeft aan elke poot vier tenen, waarvan er drie naar voor en één naar achter is gericht.

Meerdere foto’s van zebravinken en andere prachtvinken vindt u in de fotogalerij onder prachtvinken.

 
Digiprove sealThis content has been Digiproved © 2020 Danny Roels

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *