De kneuter houdt er een sociale levenswijze op na

Karakteristiek voor de mannelijke kneu is een kastanjebruine bovenzijde, rode kleur op voorhoofd en borst, vorkstaart, donkerbruine slag- en staartpennen met een witgrijs omzoomde rand. De vogel heeft een grootte van circa 14 cm, het is eerder een slanke verschijning met een vleugelwijdte van 23 centimeter. In zijn uiterlijke verschijning toont de kneu een groot seksueel dimorfisme want daar waar de man op de kop en de borst rood kleurt, toont de pop een bruine kleur waarbij de valere keel bruin gestreept is. Op zijn mooist is de man pas in het voorjaar. Na de rui in augustus en september heeft de bevedering ruim de tijd nodig om de grauwe bevederingstompjes te laten slijten waardoor de bevedering van kop en borst tot in de topjes wordt rood doorgekleurd.

Zang. De kneuter heeft een lichtgolvende typische vinkachtige vlucht. In die vlucht laat hij een voortdurend, kenmerkend ‘gigigi’ horen. Wanneer de vogel in zijn bezigheden gestoord wordt komt er een luid nasaal ‘duje’ aan te pas maar wanneer hij rustig is laat hij een warm gezang horen met nasale klanken. Wordt de vogel niet gestoord dan bestaat het lied uit een lange reeks van wisselend zachte geluiden. De man zingt het volledige jaar door, uitzondering wordt uiteraard gemaakt voor de ruitijd. De zang wordt bij voorkeur voorgedragen van op een zangpost die meestal bestaat uit de top van een boom of spar waarbij de vogel de vleugels laat hangen en ook de staart soms gespreid wordt gedragen. Ook een kweekklare pop laat tijdens de kweektijd een zacht liedje horen. In sommige literatuur wordt ook beweerd dat de kneueter de zang van andere vogels kan overnemen of imiteren. Of dit werkelijk zo is wordt hier in het midden gelaten.
Verspreiding. De kneuter komt voor in grote delen van zowel Europa, Noord-Afrika en Azië. Het liefst houdt hij zich op in open ruimten als landbouwgebieden, tuinen en parken, wijngaarden, kerkhoven enz. In bossen wordt de vogel niet waargenomen, hooguit wordt de bosrand gefrequenteerd. De kneu voedt zich haast uitsluitend met onkruidzaden als vogelmuur, paardenbloem, kruiskruid, weegbree, distel, grassen enz. Slechts tijdens de broedperiode worden kleine insecten opgenomen als groene bladluis. De kneu voedt zich op de grond of nog peutert hij de zaden rechtstreeks uit de halmen. Zijn redelijke fijne snavel is hierbij een handig hulpmiddel. Opmerkelijk is ook dat de vogel zich graag tegoed doet aan zuring. Deze plant zou immers kleurelementen bevatten om het rood in de bevedering te stimuleren.
Nest. Eind april, begin mei begint de kneuter met de nestbouw. Maar daarvoor moet uiteraard eerst het koppel gevormd worden. Zoals dat bij Europese vinkachtigen de gewoonte is begint alles in het voorjaar. Wanneer de kneuters terugkeren uit het overwinteringsgebied lokt de man de pop door zijn gezang. Daarna baltst hij voor haar waarbij de kopveertjes worden opgericht, hij laat de vleugels hangen en draagt de staart gespreid. Op die manier laat de vogel al zingend duidelijk de witzilverachtige staart- en vleugelomzomingen aan de pop zien. Wanneer zij zachte kreetjes slaakt weet hij dat ze bereid is tot copuleren. Er wordt meerdere keren daags gepaard tot de pop begint te broeden. Man en pop zoeken samen een geschikte nestplaats uit. Er wordt slechts een miniem territorium verdedigd en het gebeurt vaak dat meerdere nesten in de onmiddellijke nabijheid van elkaar worden gebouwd. De kneu bouwt het komvormig nest nooit hoog. Het ligt meestal in kleine sparren of andere laaggroeiende struiken. Voor de onderbouw worden grassen, plantenworteltjes en mossen gebruikt. De binnenafwerking gebeurt met dierlijke haren, plantenpluis en wol. Soms worden ook licht gekleurde veertjes gebruikt. Voor de bouw van het nest worden drie tot vier dagen uitgetrokken. Altijd weer wordt in de vroege ochtend het ei gelegd. Een normaal legsel bestaat hier uit vijf eieren. Het ei heeft een ovale vorm, een blauwgroene ondergrond en is gestippeld met bruinrode vlekjes aan de stompe zijde. Een kneuterei meet 14,7 x 11,2 mm. Het broeden begint doorgaans na het leggen van het vierde ei, soms pas wanneer het legsel volledig is. De pop broedt alleen maar de man voedt haar trouw op het nest. De broedduur bedraagt twaalf tot dertien dagen. De pop verlaat het nest om zich te ontlasten of om zich een weinig op te poetsen.
Jongen. De jonge kneu wordt blind geboren maar op de rug heeft hij een donkere, vrij lange donsbevedering. Na het kippen worden de eirestanten door de ouders verwijderd. Gedurende de eerste vijf levensdagen worden de jonge vogeltjes door de pop verder warm gehouden. Intussen voedt de man uit de krop de pop voortdurend op het nest, zij geeft op haar buurt het voedsel door aan de jongen. Rond de vijfde levensdag openen de jongen de ogen en bedelen nu opstaand om voedsel. Dit is het teken voor de pop om nu samen met de man voedsel te halen. Vanaf nu worden de jongen nog slechts in de nacht verwarmd en wordt de ontlasting niet meer weggebracht. De juvenielen kunnen vanaf nu immers hun uitwerpselen op de nestrand deponeren. Vanaf de zevende dag laten de jongen, mits zachte bedelgeluiden, voor het eerst van zich horen. Vanaf de negende dag, de jongen zijn dan half bevederd, kunnen ze bij gevaar het nest verlaten. Dit is nu ook de tijd dat de pop nestmateriaal begint te verzamelen voor het tweede nest. Rond dag veertien vliegen de jongen definitief uit. Voor de man breekt nu een zware tijd aan. De pop houdt zich thans bezig met de definitieve bouw van het tweede nest en hij moet nu maar voldoende voedsel weten aan te brengen voor zijn kroost. De juveniele vogel houdt zich in de struiken op maar al snel zoekt hij kneuterjongen op uit andere nesten. Zo worden kleine groepen jonge kneuters gevormd die gezamenlijk voedsel zoeken hoewel ze door de mannen nog worden gevoed. Op de leeftijd van vier weken kunnen ze alleen verder. Maar het gevaar loert om de hoek. Meerdere jonge kneuters vallen immers als slachtoffer van verwilderde kat, sperwer, slechtvalk en marter.
Gewoonten. De kneuter is een dagactieve vogel die in de vroege ochtend de slaapplaats verlaat en die pas bij valavond terug opzoekt. In de vroege ochtend wordt er het meest actief naar voedsel gezocht. Hij foerageert graag in groepsverband en ook bij de drinkplaatsen worden altijd weer meerdere kneuters opgemerkt. Die sociale aard van de vogel valt ook op te merken bij het zoeken naar nestmateriaal. In de herfsttijd worden vaak grotere benden kneuters waargenomen bij hun trek naar de betere overwinteringsgebieden. Vaak genoeg zijn de trekkend kneuters in het gezelschap van andere vinkachtigen als groen- en distelvink. Uit dit gedrag valt makkelijk af te leiden dat de kneuter een zeer verdraagzame vogel kan genoemd worden.
Volière. Toen ruim 40 jaar geleden de vogelvangst in ons land nog mocht beoefend worden werden heel wat kneuters gevangen. Omwille van de zang was het een geliefde volièrevogel. Volièrekweek was destijds niet aan de orde en hooguit werd een mannelijk exemplaar gebruikt om aan een kanariepop te paren. Een kruising kneu x kanarie gold destijds als een zeer goede zanger, vandaar. Op vandaag geldt de kneuter niet als moeilijke volièrevogel en geregeld worden goede tot zeer goede broedresultaten gemeld. De pastel kneuter is op heden de enige mutant. Die vererft tegenover de wildkleur autosomaal recessief. De kneuter is een makkelijk te houden vogel op een basis van kanariemengeling aangevuld met nigerzaad, distel- en slazaad, cardi en boekweit. Het spreekt voor zich dat onkruidzaden voor de vogel altijd welgekomen zijn. Tijdens de kweektijd wordt ook eivoer opgenomen.
 
Digiprove sealThis content has been Digiproved © 2021 Danny Roels

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *