De bronsnekduif, stille verleider

Australië kent een zeker aantal veelvoorkomende duivensoorten die ook in avicultuur goed tot zeer goed gekend zijn. Onder meer wordt hierbij gedacht aan de diamantduif (Geopelia cuneata) en aan de vredesduif (Geopelia placida). De bronsnekduif [Geopelia humeralis] is een makkelijk herkenbare soort, de naam zegt het zelf, de nek heeft een bruin bronsachtige kleur met een horizontale streeptekening er doorheen.

Er zijn drie ondersoorten. Die zijn:

  • Geopelia h. humeralis. Leeft in Noord- en Oost-Australië.
  • Geopelia h. gregalis. Komt voor in Nieuw-Guinea.
  • Geopelia h. headlandi. Het verspreidingsgebied bevindt zich in West-Australië. De foto’s die bij dit artikel afgedrukt staan werden in Broome (West-Australië) genomen zodat het zeker om deze ondersoort gaat.

Beschrijving. In het Nederlands wordt in de benaming duidelijk naar de nekkleur verwezen. De Engelsen daarentegen richten bar-shouldered dove ter identificatie hun pijlen op de kleur van de schouders die, weliswaar in een mildere bruinrode kleur bestaat, maar toch ook karakteristiek kan genoemd worden voor de vogel. Duiver en duivin houden er hetzelfde kleur- en tekeningspatroon op na zodat de visuele samenstelling van een paar niet altijd eenvoudig is. Er wordt gesteld dat de duivin in haar totaalbeeld een wat mattere indruk geeft. De duif meet ± 32 cm en wordt hierdoor tot de middelgrote soorten gerekend.

Grond. Wist u dat ‘Geo’, het eerste deel uit de wetenschappelijke naam ‘grond’ betekent en ‘pelia’, het tweede deel staat voor ‘duif’? Hierbij wordt dus duidelijk allusie gemaakt op het feit dat de bronsnekduif een groot stuk van haar leven op de grond doorbrengt. Feit is dat er haast uitsluitend op de bodem naar voedsel wordt gezocht en ook kleine op de grond aanwezige plassen als drinkplaats verkozen worden boven hoger aangebrachte artificiële drinkplaatsen zoals er in haar Australische leefwereld wel meer terug te vinden zijn. Deze duif voedt zich het meest met gras- en andere onkruidzaden maar ook met luzerne. Ook kleinere insecten worden genuttigd. Dit voedsel wordt vergaard op open plaatsen tussen laag groeiende planten, op grasvelden en langs straatranden. Ook in tuinen wordt de duif waargenomen.

Herkomst. Als in de intro gesteld gaat het om een Australische soort. Er is een groot verspreidingsgebied waaruit zich drie ondersoorten hebben ontwikkeld. Die ondersoorten kunnen gezien worden in een groot stuk van Australië maar het meest vanaf Broome (West-Australië) richting Darwin (Northern Territory). Buiten de kweektijd wordt de duif vooral rond water gezien in kleine groepjes. Het gaat om een weinig schrikachtige duif die zich eenvoudig door de mens laat benaderen.

Kookawook. Duiven in het algemeen staan er niet voor gekend dat het uitstekende zangers zijn. Zo ook de bronsnek niet. Het geluid is een zacht gekoer dat met een zekere regelmaat wordt geuit. Het heeft iets weg van ‘kookawook’ en dat is een alternatieve benaming die door de Australiërs, en niet alleen door de Aboriginals, wordt gebruikt voor deze duif.

Kweek. Voor de eigenlijke paring houdt de doffer er een uitgebeid baltsritueel op na waarbij hij onder meer met afhangende vleugels en opgerichte en opengesperde staart de duivin tracht te verleiden. Op die wijze komen de tekeningen van vleugel en staart het best in beeld (vooral de wit omrande staartpennen springen dan sterk in het oog). In de wildbaan komt er bij dat de doffer hierbij hoog in de lucht vliegt en zich met klappende vleugels naar beneden laat vallen. Deze baltsvorm valt onder andere te vergelijken met die van de houtduif [Columba palumbus].

Nest. De bronsnekduif, die altijd een vrij elegante indruk geeft, is een soort waarbij de natuurlijke kweekperiode zich uitstrekt van september tot januari voor die vogels die zich in Noord- en Oost-Australië ophouden. De duiven uit West-Australië vinden het beter te broeden van februari tot april. Maar wanneer er ook wordt gebroed, telkens wordt er een bescheiden nest gebouwd dat wordt opgetrokken uit fijn rijshout. Dit nest wordt zowel in bomen, struiken als in mangrove gebouwd gaande van laag tegen de grond tot op een hoogte van zes meter.

Eieren en jongen. De witte, ovale eieren worden door zowel de duiver als door de duivin bebroed. De broedtijd bedraagt van veertien tot zestien dagen. De jongen worden met een vleeskleurige huid geboren en een duidelijke dons. Ze worden de eerste dagen door de beide seksen met kropmelk gevoed, later met de eerder aangegeven zaden. Na achttien tot twintig dagen zijn de jongen sterk genoeg om het nest te verlaten. Ze worden dan vooral door de man nog gedurende twee weken nagevoed. Er zijn in de vrijbaan meerdere nesten per seizoen.

Predatoren. Eieren worden vaak geroofd door onder meer de Australische kraai [Corvus bennetti] en de verschillende (onder)soorten van de Australische fluitkraaien [Gymnorhina tibicien]. Vaak wordt de duif ook geslagen door roofvogels waarbij de wigstaartwouw [Haliastar sphenurus] het voortouw neemt.

Avicultuur. De bronsnekduif is een vooral zaadetende duif en wordt daarom in avicultuur tot de meest makkelijke soorten gerekend. In eerder verschenen bijdragen schreven we reeds dat meerdere firma’s puike voedingen op de markt hebben gebracht die wat graag door de bronsnek worden opgenomen. Verder eet de duif met smaak van een mengeling voor kleine parkieten. Onkruiden worden aanvaard en dierlijke eiwitten, die hoewel verder onbelangrijk en onnodig zijn, worden niet versmaad. Met het oog op een goede spijsvertering is het ook hier een vereiste om grit en maagkiezel aan te bieden. Een wat ruimere, liefst volledig overdekte volière, met een zachte bodem en een lichte vegetatie is aangewezen. De bronsnekduif kan met andere grotere vogels samen gehouden worden wanneer de volière zich daar toe leent. Voor de winterperiode is een matig verwarmd binnenhok aangewezen.

Kweek. Met het oog op een succesvolle kweek wordt het koppel het best in een aparte volière ondergebracht. Hoewel rustig van aard kan enige agressiviteit tegenover andere vogels, en zeker jegens duifachtigen (ook niet soortgenoten) toch optreden. Als het koppel de kans krijgt een vrijstaand nest te bouwen zal dit door de band verkozen worden boven een artificiële nestplaats. Net als in de natuur zoeken beide vogels naar kleinere takken om er een plat nest mee op te trekken. Nesten kunnen ook gemaakt worden in bvb. een duivenschotel.

 
Digiprove sealThis content has been Digiproved © 2021 Danny Roels

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *