Australische prachtvink, over de Bicheno astrilde

De heer Bicheno was van 1823 tot 1832 secretaris van de Linnaean Society in Londen, dit is de vereniging die het classificeren en naamgeven van planten en dieren als opdracht had gekregen. De grote voorloper van dit “werkje” was Linnaeus, een Zweed die eigenlijk Carl von Linné heette en leefde van 1707 tot 1778. Meteen kunnen we reeds een veel voorkomende fout de wereld uithelpen, nl. de naam van Bicheno-astrilde [ Stizoptera bichenoviï annulosa] wordt in alle talen zonder “w” geschreven. In het Nederlands heeft dit vogeltje reeds menige naam gekregen nl. uilvinkje, ringastrilde en gordelastrilde.

Beschrijving. Daar er twee soorten Bicheno-astrilden bestaan, lijkt het ons aangewezen steeds het passend onderscheid te maken in de benaming door dit verschil in voorkomen te gebruiken bij de naamgeving en te spreken van de “witstuit-Bicheno-astrilde” en van de “zwartstuit-Bicheno-astrilde”. In gebieden waar beide soorten voorkomen worden de vogels aangetroffen met een zwart-witte stuit. Deze moeten aanzien worden als een onzuivere soort. De eenvoudigste beschrijving van dit vogeltje is als volgt: hetzelfde verenpakje als de witstuit-Bicheno-astrilde maar met een zwarte stuit. Maar zo gemakkelijk willen we er ons echter niet vanaf maken. Daarom hieronder enkele details.

De witte wangen en keel zijn omzoomd door een zwarte band die begint en eindigt links en rechts van de bovenste snavelbasis en hierdoor een zwart voorhoofd geven. Deze band geeft het uileffect. Een tweede zwarte band vormt de scheiding van de borst met de buik en begint en eindigt op beide schouders. Het gedeelte tussen beide banden is geelachtig wit. De kleur van de buikbevedering neigt meer naar het geel. De schedel, hals en rug zijn bruingrijs met een zwarte golfjestekening. De vleugels zijn donkergrijs en bezet met “witte pareltjes”, door sommige zwart-witte tralietjes genoemd. Deze stipjes treft men niet aan op de buitenste slagpennen. De staart en de stuit zijn bruinachtig zwart evenals de onderste staartveren. De ogen zijn bruin, de snavel is loodgrijs en de pootjes blauwgrijs. Het vogeltje is nauwelijks 10 cm groot. Het popje is alleen door “kenners” te herkennen en zou een smallere borstband hebben.

Verspreiding en biotoop. De zwartstuit-Bicheno-astrilde is afkomstig uit Australië en wordt aangetroffen in het noordwestelijk deel waar het gebied rond het Kimberley plateau voor het hapje en natje zorgt, evenals in het Noordelijk Territorium. De witstuit situeert zich in Nieuw-Zuid-Wales en in Queensland. Deze streken staan bekend voor de reuzegrote schapenfokkerijen. Volgens Dr. Thijs Vriends in zijn boek “Ontmoetingen met Australische Vinken” worden de Bicheno-astrilden in een grote variatie biotopen aangetroffen. Hij citeert grasland, bosranden, dicht bij gebergtes, bewoonde streken maar vooral en steeds in de buurt van water. Ze zouden in hoofdzaak op de grond verblijven en in lage struiken. Deze variabele biotoop wijst erop dat het alleseters zijn nl. rijpe en rijpende zaden evenals kruipende insecten die zich tussen de bodemgewassen ophouden. De Bicheno-astrilden staan bekend voor hun slechte vliegmogelijkheden omwille van hun afgeronde vleugels. Vliegende insecten staan dus niet op het menu. In de volière lusten ze wel universeelvoer, gemengd insectenvoer en af en toe een meelwormpje.

Sociaal gedrag en voortplanting. De Bicheno-astrilde heeft het voorkomen van een nerveus, schuchter bedeesd vogeltje. Volgens de bekende ornitholoog John Gould zou het evenwel niet schuw zijn en zelfs arrogant dicht bij de mensen durven komen. Dr. Thijs Vriends signaleert ook dat ze zich samen met de muskaatvinken handhaven in parken, suikerrietvelden en andere aanplantingen. Ze worden meestal paarsgewijs of in kleine vluchten aangetroffen. Hun nesten worden vooral in struiken aangetroffen, soms in boomholtes, soms gebruik makend van andermans nest of van stenen gebouwen om er “onderdak” te vinden. De paring wordt voorafgegaan door een baltsdans waarbij het mannetje met een grashalm in de bek diepe buigingen maakt en steeds maar kwettert. Deze manier van doen deed me denken aan de blauwfazantjes die ook zulke hoofse buigingen uitvoeren en steeds maar met een grasspriet in de snavel het hof maken aan de dametjes.

In de volière zijn Bicheno-astrilden niet echt agressief, ook niet tijdens de paar- en de broedtijd: men zou ze eerder omschrijven als lastposten die te vaak buurmans nest controleren, snel aan het bekvechten zijn met andermans popje, en alleen baas willen spelen rond de voedertafel. Zelf verdragen ze geen nestcontrole en dat de dertien dagen durende broedtijd voor de liefhebberkweker dan lang duurt zult u van ons aannemen. Beide partners broeden op de vier à zes eitjes. In de volière of broedkooi valt dit wel eens tegen (zoals met vele prachtvinken trouwens) daar ze het ene broedsel na het andere durven produceren zonder echt te broeden. Wanneer er echter jongen in het nest liggen ontpoppen de Bicheno-astrilden zich als oppassende ouders, zelfs tot een tiental dagen na het uitvliegen van hun kroost.

Op de tentoonstellingen. Zoals vele Australisch prachtvinken treft men de Bicheno-astrilde af en toe aan op de tentoonstellingen. Het vogeltje is reeds klein van nature en door de jarenlange inkweek is dit formaat er niet op verbeterd. Veel van de tentoongestelde Bicheno-astrildes geven dan ook een miezerige indruk. Dikwijls wordt deze indruk nog in de hand gewerkt door de gedrukte houding van het vogeltje, veelal achter in de kooi. Als daarbij het wit rond de wangen en op de keel nog gemarmerd is met een bewolkte borstkleur dan is het fiasco compleet. Daarenboven is het een vogel met heel wat tekeningen – twee ringen, een voorhoofdsband, gestipte vleugelpennen en een met golfjes geribde rug- en vleugeldekveren – zodat ook hier heel wat afwijkingen kunnen gevonden worden.

Om in aanmerking te komen voor een ereprijs zullen de Bicheno-astrildes dus in prima conditie moeten verkeren. Een klein formaat (9,5 à 10 cm is toch vereist) wordt onherroepelijk gestraft. Een minder nette aflijning van de keel- of borstband kan nog aanvaard worden, maar een onderbreking wordt als een zware fout bestraft. Hoe meer de golfjestekening contrasteert, en hoe feller de pareltjes op de vleugels in het oog springen, des te positiever zal de beoordeling zijn. Alles bijeen mogen we zeggen dat de Bicheno-astrilde op de tentoonstellingen eenzelfde moeilijkheidsgraad heeft als de zebravinken, diamantvinken en andere tekeningvogels. Een goed exemplaar zal des te eerder in het oog springen en dan ook naar waarde worden gequoteerd.

 
Digiprove sealThis content has been Digiproved © 2022 Danny Roels

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *